Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15/1395 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:86, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Opschorten ligt niet voor. T.a.v. intrekken wordt ambtshalve geoordeeld dat het feit dat appellante niet is verschenen op oproep i.v.m. gesprek over re-integratie ertoe leidt dat college niet bevoegd was tot intrekken op grond van art. 54 lid 4 WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1395 WWB

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 januari 2015, 14/3744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] , thans zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broekzitter-Nieuwland, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Namens appellante is verschenen mr. Broekzitter-Nieuwland. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. de Jonge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 26 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij brief van 18 september 2013 heeft een werkadviseur van de Afdeling Werk van de sector inwoners van de gemeente Spijkenisse appellante opgeroepen voor een gesprek op

23 september 2013 in het kader van haar re-integratie. Dat gesprek heeft plaatsgevonden en heeft ertoe geleid dat de GGD om advies is gevraagd om de arbeidsmogelijkheden van appellante in kaart te brengen. De GGD heeft op 9 oktober 2013 een advies uitgebracht aan de gemeente Spijkenisse. Appellante is bij brief van 29 oktober 2013 opgeroepen voor een gesprek op 6 november 2013 om de uitkomsten van het medisch advies van de GGD te bespreken alsook de gevolgen daarvan voor de arbeidsmogelijkheden van appellante. Tijdens dat gesprek heeft appellante geweigerd een trajectplan te ondertekenen. Vervolgens heeft een medewerker van de gemeente Spijkenisse appellante bij brief van 7 november 2013 opgeroepen voor een gesprek op 13 november 2013 om haar alsnog de kans te bieden het trajectplan te ondertekenen. Appellante is zonder bericht van verhindering niet op dat gesprek verschenen. Het college heeft om die reden bij besluit van 13 november 2013 (opschortingsbesluit) het recht op bijstand van appellante per 13 november 2013 opgeschort. In het opschortingsbesluit is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 19 november 2013 en is zij erop gewezen dat wanneer zij zonder geldige reden niet op het gesprek verschijnt, de bijstand kan worden ingetrokken. Appellante is zonder bericht ook niet op het gesprek van

19 november 2013 verschenen.

1.3.

Het tegen het opschortingsbesluit ingediende bezwaar is bij besluit van 26 maart 2014 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 13 november 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante niet op het gesprek van 19 november 2013 is verschenen en dat haar daarvan een verwijt valt te maken. Appellante heeft hierdoor het eerdere verzuim niet ongedaan gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college het recht op bijstand opschorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt het college hem uit binnen de door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn herstelt.

4.2.

Vaststaat dat appellante tegen het besluit van 26 maart 2014, waarbij het opschortingsbesluit is gehandhaafd, geen rechtsmiddel heeft aangewend. Gelet hierop ligt uitsluitend ter beoordeling voor of de intrekking van de bijstand ingaande 13 november 2013 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. De enkele stelling dat appellante het besluit op bezwaar over de opschorting in verband met een onjuiste adressering nooit heeft ontvangen en dat zij alsnog beroep tegen dat besluit kan instellen, maakt dat niet anders.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gesprek op 19 november 2013 in het teken zou staan van de re-integratie van appellante in het kader van de arbeidsinschakeling.

4.4.

Artikel 17, tweede lid, van de WWB, zoals dit luidde tot 1 juli 2013, bepaalde dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Met ingang van 1 juli 2013 heeft de wetgever (bij de wet van 19 juni 2013, Stb. 2013, 236 (Verzamelwet SZW 2013)) - onder wijziging van de punt in een komma - de zin in dit artikellid als volgt aangevuld: “waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling.”

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:456) betreft de per 1 juli 2013 gerealiseerde aanpassing van artikel 17, tweede lid, van de WWB slechts een verduidelijking en is de systematiek ten aanzien van het opschorten en intrekken van de bijstand met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB (vergelijk de uitspraken van de Raad van 30 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8403, 14 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE2717 en 20 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2722) op en na 1 juli 2013 ongewijzigd gebleven.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het feit dat appellante op 19 november 2013 niet is verschenen voor een gesprek over haar re-integratie niet tot gevolg heeft dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook niet bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken. Anders dan het college heeft aangevoerd, is hierbij niet van belang dat het opschortingsbesluit volgens het college in rechte onaantastbaar geworden is.

4.7.

Reeds hierom slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 54, vierde lid, van de WWB. Tevens zal de Raad het besluit van 19 november 2013 herroepen omdat aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 april 2014;

- herroept het besluit van 19 november 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit van 28 april 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S.A. de Graaff

HD