Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16/3551 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toelating traject 'eigen werk'. College heeft kunnen concluderen dat appellant niet voldoende vakbekwaam is om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 3551 PW, 16/5463 PW, 16/5498 PW, 16/5516 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 april 2016, 15/7048 (aangevallen uitspraak) en op de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeesters en wethouders van Amsterdam van 2 augustus 2016

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

PROCESVERLOOP

16/3551 en 16/5498

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 16 augustus 2016 (nader besluit) ingezonden.


16/5498 en 16/5516

Bij uitspraak van 24 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2044, heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2014, 14/1827 en van 2 juni 2015, 15/181, vernietigd, de beroepen tegen de besluiten van 5 maart 2014 en 27 februari 2015 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd, het college opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de nieuw te nemen besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het college heeft op 2 augustus 2016 twee nieuwe besluiten genomen (bestreden

besluiten 1 en 2).

Namens appellant heeft mr. Velthorst tegen bestreden besluiten 1 en 2 beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in alle zaken heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Velthorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder en mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft in het najaar van 2013 en in 2014 het college verzocht om toegelaten te worden tot het traject Eigen Werk van de gemeente Amsterdam (traject), welke verzoeken het college bij besluiten van 22 januari 2014 en 3 september 2014 heeft afgewezen. De tegen deze besluiten aangespannen procedures hebben geresulteerd in de uitspraak van de Raad van

24 mei 2016.

1.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 mei 2016 geoordeeld dat de destijds bestreden besluiten niet berustten op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In het dossier bevond zich geen informatie over de inhoud van het traject. Het beleid dat wordt gehanteerd bij de beslissing of iemand voor het traject in aanmerking kwam, ontbrak en niet duidelijk was aan welke criteria het college toetste, zodat niet toetsbaar was of het college zich op het standpunt kon stellen dat appellant niet over de benodigde capaciteiten beschikte om deel te nemen aan het traject.

2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak bestreden besluiten 1 en 2 genomen. Daarbij heeft het college de bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft op 24 maart 2015 opnieuw verzocht om toelating tot het traject. Op

27 mei 2015 heeft de Teammanager Eigen Werk een rapport uitgebracht waarin hij heeft geconcludeerd dat appellant niet aan de toelatingscriteria voor het traject voldoet. In het rapport staat vermeld dat appellant nauwelijks relevante ervaring heeft als buschauffeur en in het personenvervoer in een dergelijk voertuig in een groot stedelijke omgeving. Voorts is de voorbereidingsperiode voor een concept als door appellant beoogd, veel langer dan een periode van zes maanden, die het traject duurt.

3.2.

Bij besluit van 28 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2015, heeft het college het verzoek om toelating tot het traject afgewezen.

3.3.

Bij besluit van 23 februari 2016 (bestreden besluit 3) heeft het college het besluit van

15 oktober 2015 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2015

niet-ontvankelijk verklaard.

4.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2015 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

4.2.

Bij het nader besluit heeft het college bestreden besluit 3 herzien en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

5. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond is verklaard, gekeerd en in de beroepen tegen de besluiten van 2 augustus 2016.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Het besluit van 16 augustus 2016 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

Bestreden besluit 3

6.2.

Aangezien het college bestreden besluit 3 bij het nader besluit heeft herzien en het bezwaar ongegrond heeft verklaard, dient de aangevallen uitspraak reeds om die reden te worden vernietigd.

Nader besluit en bestreden besluiten 1 en 2
6.3. Appellant beoogt een onderneming te starten, waarbij hij met een dubbeldekker bus, waarvan de bovenverdieping is verbouwd tot een klein restaurant en slaapgelegenheid,

toeristische rondritten verzorgt in Amsterdam en later ook in andere steden. Met het traject van de gemeente Amsterdam wil hij ondersteuning krijgen voor de opzet van zijn eigen onderneming.

6.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat het traject bestaat uit twee fases. In de oriëntatiefase

(fase 1) van vier weken wordt gekeken of de betrokkene geschikt is als ondernemer. In de ontwikkelfase (fase 2), die 22 weken duurt, ligt de focus primair op de start van het bedrijf. Het schrijven van het ondernemingsplan en het (mogelijk) aanvragen van financiering hebben hierbij de aandacht. Voor de toelating tot het traject hanteert de gemeente Amsterdam verscheidene criteria, waarvan thans een overzicht zich in het dossier bevindt.

6.5.

Het nader besluit en bestreden besluit 1 en 2 berusten in de kern op de grond dat appellant de persoonlijke vaardigheden die noodzakelijk zijn om (op termijn) zelfstandig ondernemer te worden mist. Ook is appellant niet voldoende vakbekwaam om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken en zal dat naar verwachting na het begeleidings- en opleidingstraject van maximaal zes maanden evenmin worden. Appellant voldoet daarom niet aan de criteria voor toelating tot het traject.

6.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet gekwalificeerd is voor deelname aan het traject. Appellant heeft hierbij verwezen naar zijn curriculum vitae, zijn ondernemingsplan, het behaalde rijbewijs voor het rijden op een bus, en zijn ervaring als taxichauffeur.

6.7.

Anders dan appellant betoogt, heeft het college kunnen concluderen dat appellant niet voldoende vakbekwaam is om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken. Appellant heeft weliswaar zijn rijbewijs voor het rijden met een bus, maar heeft, op één dag na, bij

[bedrijf] , geen ervaring als buschauffeur in een dergelijk voertuig. Dat appellant meerdere keren examen heeft gedaan voor het behalen van zijn rijbewijs en hierdoor langer les heeft gehad, maakt niet dat die lessen als relevante ervaring kunnen meetellen, nu het rijden in de bus onder begeleiding plaatsvond. De gestelde ervaring als taxichauffeur in Amsterdam is, wat hier ook van zij, onvoldoende, nu juist van belang is dat appellant ervaring heeft met het rijden op een bus of touringcar. Voorts heeft appellant bij een psychologisch assessment in 2009 verklaard dat hij snel stress ervaart en dat hij dan niet goed weet hiermee om te gaan. Dit blijkt ook uit zijn verklaring tijdens de hoorzitting op 26 juli 2016 dat hij in 2012 bij [bedrijf] na één dag is ontslagen, omdat hij alleen met een bus naar Rotterdam moest rijden zonder begeleiding. Appellant kwam in een file terecht en raakte in de stress. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn stressbestendigheid nadien is verbeterd. Evenmin heeft appellant ervaring in de toeristen- en sightseeing branche. De beroepsgrond dat appellant voor zijn familie vaak voordrachten houdt slaagt niet, reeds omdat het ervaring betreft in een ander verband dan met toeristen.

6.8.

Anders dan appellant betoogt, behoefde het college, gelet op de hiervoor in 6.7 geschetste omstandigheden, voor de beoordeling of appellant voldoende vakbekwaam was om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken geen deskundige in te schakelen.

6.9.

Uit 6.3 tot en met 6.7 volgt dat appellant niet voldeed aan de door de gemeente Amsterdam gehanteerde criteria voor toelating tot het traject. De beroepsgrond dat het college appellant in ieder geval tot fase 1 van het traject had moeten toelaten slaagt daarom ook niet.

6.10.

Gelet op 6.2 slaagt het hoger beroep, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaren en bestreden besluit 3 vernietigen.

6.11.

Uit 6.3 tot en met 6.9 volgt dat de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 en tegen het nader besluit niet slagen, zodat deze ongegrond moeten worden verklaard.

7. Aanleiding bestaat om in de zaak 16/3551 PW het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 februari 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 2 augustus 2016 en tegen het besluit van

16 augustus 2016 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD