Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/5393 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering IVA-uitkering. Arbeidsongeschiktheid is niet duurzaam. Het oordeel van de verzekeringsarts berust op een concrete en deugdelijke afweging van feiten en omstandigheden en is inzichtelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5393 WIA

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

17 juli 2015, 15/777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Beishuizen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 oktober 2015 heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als doktersassistente bij [naam medisch centrum] voor 32 uur per week. Met ingang van 25 maart 2008 is appellante met bekkenklachten uitgevallen. Later zijn psychische klachten ontstaan. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2011 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 12 november 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van

6 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat het recht op de loongerelateerde

WGA-uitkering op 12 februari 2012 eindigt en met ingang van die datum wordt omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Tegen deze besluitvorming is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Bij brief van 30 december 2013 heeft de (ex-)werkgever van appellante een verzoek om een herbeoordeling gedaan. Met verwijzing naar een brief van de bedrijfsarts van

11 november 2013 heeft de (ex-)werkgever van appellante zich op het standpunt gesteld dat appellante met ingang van 11 november 2013 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarmee voldoet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering.

1.3.

De verzekeringsarts heeft beperkingen vastgesteld voor de arbeidsmogelijkheden van appellante en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daarbij is informatie van de reumatoloog dr. A.A.A. Westgeest van 22 november 2013 en van Psychologenpraktijk Oog van 21 maart 2014 meegewogen. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 11 november 2013 in staat moet worden geacht passende functies te vervullen, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 60,1%. Bij besluit van 17 september 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid dienovereenkomstig is gewijzigd.

1.4.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Verder acht zij zich om medische redenen niet in staat de haar voorgehouden functies te vervullen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

25 januari 2015 toegelicht dat appellante verdergaand beperkt wordt geacht op psychisch vlak. Om die reden is een aanvullende beperking opgenomen in de FML voor het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van eigen gevoelens. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van de aangepaste FML van

27 januari 2015 vastgesteld dat appellante geen passende functies kunnen worden voorgehouden en de mate van arbeidsongeschiktheid 100% bedraagt. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische klachten niet als duurzaam heeft ingeschat is tevens op 17 februari 2015 een FML opgesteld zonder de psychische beperkingen mee te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aansluitend het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en een drietal nieuwe functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,67%. Op grond hiervan is het Uwv tot de conclusie gekomen dat de volledige arbeidsongeschiktheid niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Bij besluit van 19 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts- en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 september 2014 herroepen.

2.1.

In beroep heeft appellante gehandhaafd haar standpunt dat zij voor een IVA-uitkering in aanmerking komt. Zij is van oordeel dat haar depressieve klachten niet of nauwelijks zullen verbeteren. Steun voor dat standpunt ziet appellante in rapporten van medisch adviseur drs. G.J. van Wettum van 12 maart 2015 en van 27 mei 2015. Het Uwv heeft met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 mei 2015 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 mei 2015 het ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe overwogen dat niet gebleken is dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand gekomen is, innerlijk tegenstrijdig is of geen reëel beeld geeft van de gezondheidstoestand van appellante. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank om de vraag of appellante nog kan herstellen. Als er enige kans op herstel bestaat, is er geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid. Dat appellante niet toe is aan behandeling betekent niet dat de behandeling niet mogelijk is. Aan de adviezen van de medisch adviseur Van Wettum kent de rechtbank niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de eerder ingediende gronden gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

1 oktober 2015 ingezonden en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat appellante recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een toereikende grondslag vormt voor de door het Uwv uitgesproken verwachting van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van appellante. Aan de hand van de beschikbare informatie in het dossier heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich een goed beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn inschatting met betrekking tot het niet duurzame karakter van de psychische klachten mede gebaseerd op de informatie van de behandelend sector en te kennen gegeven dat er een reële kans op verbetering van de belastbaarheid aanwezig is. Het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep berust op een concrete en deugdelijke afweging van feiten en omstandigheden betreffende appellante en is inzichtelijk gemotiveerd. Zo zijn in de brief van psycholoog Oog de behandelingen beschreven die appellante heeft ondergaan vanaf november 2011 tot februari 2014, waarbij is aangegeven dat appellante voor het omgaan met de

PDD-NOS-kenmerken baat kan hebben bij gespecialiseerde hulp van MEE. De omstandigheid dat appellante niet met die begeleiding is gestart omdat zij het eerst een tijd zelf wil proberen, doet er niet aan af dat er een mogelijkheid voor behandeling is. Ook de bedrijfsarts heeft in zijn brief van 11 november 2013 te kennen gegeven dat er behandelmogelijkheden zijn gericht op herstel en dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk is. Onder deze omstandigheden kan met betrekking tot de psychische problematiek niet gezegd worden dat de arbeidsbeperkingen duurzaam zijn. De rapporten van Van Wetten geven onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB