Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/5142 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatman juist vastgesteld. Appellant kan niet worden gevolgd in de redenering dat hij zijn oorspronkelijke werkzaamheden kwalitatief heeft uitgebreid. In het geval van appellant is geen sprake geweest van een ontwikkeling van de eerder uitgeoefende functie van betonboorder maar van een daadwerkelijke overgang van werknemer naar zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5142 WAO

Datum uitspraak: 19 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 juni 2015, 14/3875 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Stegmeijer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. P. Berkhoudt nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkhoudt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als betonboorder in looondienst en portier toen hij zich op

14 november 2003 ziek meldde. Hij is met ingang van 12 november 2004 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar de klasse 15 tot 25%.

1.2.

Appellant heeft op 1 juli 2006 een eigen bedrijf gestart, waarin hij als zelfstandig betonboorder werkt. Met ingang van 22 april 2007 is hij toegelaten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet (ZW) en de WAO bij het Uwv.

1.3.

Appellant heeft in de periode van 31 mei 2012 tot en met 26 mei 2014 een ZW-uitkering ontvangen in verband met arbeidsongeschiktheid voor zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer. Appellant heeft op 18 februari 2014 verzocht om verhoging van de

WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant is toegenomen en dat de WAO-uitkering met ingang van 27 mei 2014 moet worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 14 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is voor een maatmanwisseling. Een enkel verschil in verdiensten vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de reeds sinds 2004 doorlopend gehanteerde maatman te wijzigen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat hij voldoet aan de voorwaarden voor wijziging van de maatman. Hij stelt dat hij is doorgegroeid in zijn functie en ook nieuwe bekwaamheden heeft verkregen onder begeleiding van de Kamer van Koophandel (KvK). Appellant meent dat met twee maten wordt gemeten, omdat het Uwv zijn inkomsten als zelfstandig betonboorder wel in mindering brengt op de

WAO-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant en partijen worden daarbij uitsluitend verdeeld gehouden over de vraag of moet worden uitgegaan van een gewijzigde maatman van zelfstandig betonboorder.

4.2.

Met ingang van 22 april 2007 is appellant opgenomen in de vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. In de op grond van artikel 85 van de WAO door het Uwv vastgestelde Regels vrijwillige verzekering arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO 2007 (Stcrt 23 mei 2007, nr 97), is in artikel 10 bepaald dat met betrekking tot het tijdstip van aanvang van de vrijwillige verzekering de verzekering voor de toepassing van artikel 18, tweede lid van de WAO als een voortzetting van de verplichte verzekering wordt beschouwd.

4.3.

In artikel 86 van de WAO is bepaald dat hetgeen bij en krachtens die wet is bepaald van overeenkomstige toepassing is op de vrijwillige verzekering ingevolge die wet voor zover daarvan in de bepalingen aangaande de vrijwillige verzekering niet is afgeweken.

4.4.

Uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat de maatgevende arbeid bij wijze van hoofdregel dient te worden gesteld op de functie die iemand bekleedde onmiddellijk voorafgaande aan de – eerste – uitval (bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3399). Op grond van artikel 21, derde lid, van de WAO wordt bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden. Zoals de Raad in eerdere uitspraken (bijvoorbeeld in de eerder vermelde uitspraak van 29 april 2011) heeft overwogen, dient voor de toepassing van deze bepaling primair gedacht te worden aan nieuwe bekwaamheden die zijn verworven door het met succes volgen van een opleiding van enige duur en zwaarte.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij onder de begeleiding voor startende ondernemers door de KvK nieuwe bekwaamheden heeft moeten verwerven om een eigen onderneming op te bouwen zoals het voeren van een administratie, acquireren voor nieuwe opdrachten en het inplannen van werkzaamheden en personeel. Bovendien voert hij als zelfstandig betonboorder meer gespecialiseerde betonboringen uit en zijn de verdiensten van de zelfstandig betonboorder hoger.

4.6.

In aanmerking genomen wat daarover ter zitting naar voren is gekomen en door [naam] , mentor KvK [gemeente] , op 31 januari 2017 schriftelijk is verklaard, kan niet worden gezegd dat de begeleiding van appellant als startende ondernemer kan gelden als een opleiding van voldoende duur en zwaarte die leidt tot het verwerven van nieuwe bekwaamheden als bedoeld in de rechtspraak van de Raad. Er is geen sprake van een ontwikkeling van bekwaamheden in de eerder uitgeoefende functie. Dat appellant met zijn opleiding als hij werknemer was gebleven nu de functie van voorman zou uitoefenen, daargelaten dat hiervoor geen duidelijke aanwijzingen voor zijn aangedragen, dient eerder gezien te worden als doorgroei naar een andere functie en niet als een ontwikkeling van bekwaamheden binnen de eigen functie. Er is om die reden geen sprake van nieuwe bekwaamheden in de zin van artikel 21, derde lid, van de WAO.

4.7.

Een verdere uitzondering op de hoofdregel wordt in het geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gevormd door de omstandigheid dat de nog verrichte werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen een zodanige ontwikkeling doormaken dat de per dag ontvangen beloning uitstijgt boven het loon dat verdiend werd voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

4.8.

Appellant kan niet worden gevolgd in de redenering dat hij zijn oorspronkelijke werkzaamheden kwalitatief heeft uitgebreid. In het geval van appellant is geen sprake geweest van een ontwikkeling van de eerder uitgeoefende functie van betonboorder maar van een daadwerkelijke overgang van werknemer naar zelfstandige.

4.9.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.J. van Gendt

KP