Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
16/3477 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het EVRM, omdat het hem aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Deugdelijke medische grondslag. De voorbeeldfuncties die aan de eerstejaars ZW-beoordeling ten grondslag zijn gelegd moeten in medisch opzicht voor appellant geschikt worden geacht.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 19aa
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 3
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/369 met annotatie van A.C. Hendriks
USZ 2017/329 met annotatie van E. van den Bogaard
SZR-Updates.nl 2017-0198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3477 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 april 2016, 14/5151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Voor appellant is verschenen mr. Nijssen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als [naam functie] voor 35,86 uur per week bij [naam stichting] . Na beëindiging van zijn dienstverband heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit die situatie heeft hij zich op 18 maart 2013 ziek gemeld met fysieke en psychische klachten. Appellant heeft ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 18 april 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vermeld dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met de angstklachten van appellant en dat ten aanzien van de myogene schouderklachten in rubriek 4 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op punt 15 een nadere toelichting nodig is ten aanzien van een frequentiesplitsing in de diverse gewrichten en ten aanzien van boven normaalwaarden bij reiken. Hij heeft deze verdergaande beperkingen in de FML van 17 juni 2014 opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vastgesteld dat naar aanleiding van de gewijzigde FML de functie inpakker koekjes niet geschikt is voor appellant in verband met de belasting op reiken. Hij heeft appellant evenwel nog steeds geschikt geacht voor de overige aan het besluit van 17 februari 2014 ten grondslag gelegde functies.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht, omdat alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling zijn betrokken. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist en verwijst daarbij naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met de angstklachten van appellant. Dit heeft geleid tot de aanname van beperkingen voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat er geen aanleiding is om ten aanzien van gebruik van de schouder verdergaande beperkingen aan te nemen. Wel heeft zij in rubriek IV op punt 15 een nadere toelichting gegeven en een beperking ten aanzien van bovennormaal waarde bij reiken opgenomen. Het standpunt van appellant dat hij in de ochtenduren niet kan werken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gevolgd, omdat er geen medische onderbouwing is om een dergelijk verzoek te indiceren. De rug-, schouder- en angstklachten nopen niet tot werkzaamheden vanaf het middaguur. De rechtbank is voorts van oordeel dat het betoog van appellant dat uit het in beroep overgelegde WSW-indicatiebesluit van 21 november 2011 en onderliggende stukken blijkt dat hij niet in staat is om in de ochtenduren te werken, niet slaagt. Uit bovengenoemde stukken blijkt niet op grond van welke medische gegevens de psycholoog heeft geconcludeerd dat appellant daartoe niet in staat is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in de in de WSW-indicatie opgenomen beperkingen voor tijds- en tempodruk zien op de situatie van appellant in november 2011 en daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden voor de datum hier in geding, 18 april 2014. Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank ten slotte overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de overgebleven drie functies, gelet op de vastgestelde beperkingen in de FML van 17 juni 2014, voor appellant geschikt moeten worden geacht en zijn belastbaarheid niet overschrijden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing wederom naar de WSW-indicatie en de daaraan ten grondslag gelegde psychologische rapporten – zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat, dat hij niet in de ochtenduren kan werken en dat er voor hem een tijds- en tempodruk moet worden aangenomen. De rechtbank miskent hierbij dat de

WSW-indicatie een geldigheidsduur van vijf jaar kent, zodat er vanuit gegaan mag worden dat de genoemde beperkingen enige duurzaamheid kennen en in elk geval nog geldig waren op de datum in geding. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan zijn stelling dat een zieke WSW-werknemer in het kader van de ZW en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet op dezelfde manier behandeld mag worden als een gemiddelde zieke werknemer. Een werknemer met een door het Uwv afgegeven WSW-indicatie heeft immers jarenlang gewerkt in een beschermende werkomgeving waarbij volledig rekening is gehouden met de in de WSW-indicatie vastgelegde beperkingen. Appellant heeft ter zitting verzocht om een medisch deskundige in te schakelen, waarbij hij een beroep heeft gedaan, onder verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec), op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij niet de beschikking heeft over de financiële middelen om zelf een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift, mede onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep van 13 juni 2016 en 23 mei 2017, waarin op de door appellant aangevoerde punten is gereageerd, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak te onderscheiden stappen.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming.

4.1.

De verzekeringsartsen hebben op voldoende zorgvuldige wijze hun medisch onderzoek verricht. Er zijn geen onderzoeksactiviteiten achterwege gelaten. Beide verzekeringsartsen hebben appellant gezien en kennis genomen van de in het dossier aanwezige stukken van eerdere beoordelingen en van de behandelend sector. Voor wat betreft de zorgvuldigheid van het onderzoek wordt tevens in overweging genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 17 juni 2014, 13 juni 2016 en 23 mei 2017 heeft gereageerd op de door appellant naar voren gebrachte gronden en de nader overgelegde medische gegevens behorend bij het WSW-indicatiebesluit van 11 november 2011.

Stap 2: equality of arms

4.2.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het EVRM, omdat het hem aan financiële middelen zou ontbreken om zelf een advies van een deskundige in te brengen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn psychische beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedure bij de rechtbank gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen. In hoger beroep heeft hij naar deze stukken verwezen. De aan het
WSW-indicatiebesluit ten grondslag liggend rapporten van psycholoog M. Buhrs en
R. Berndsen waarin is uitgegaan van een beperking ten aanzien van werken in de ochtenduren, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant betrokken. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin volgens appellant alle beschikbare medische gegevens zijn overhandigd en die door de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun beoordeling zijn betrokken, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.3.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.4.

Er is geen aanleiding voor een ander oordeel over de inschatting van de belastbaarheid van appellant door het Uwv dan de rechtbank heeft gegeven. Daarbij wordt in navolging van de rechtbank van belang geacht dat ten aanzien van de schouder-, rug- en angstklachten de verzekeringsarts bewaar en beroep bij de totstandkoming van haar rapport de beschikking had over de in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend sector, waaronder het rapport van GZ-psycholoog B. Khouzi van 9 mei 2014. Uit dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014 blijkt dat alle, uit medisch objectief onderzoek verkregen, informatie door haar op de juiste wijze is meegewogen en dat dit bij de totstandkoming van de FML van 17 juni 2014 heeft geleid tot het aannemen van meer beperkingen in verband met voormelde klachten van appellant. Het feit dat voor appellant bij besluit van 21 november 2011 door het Uwv-Werkbedrijf een WSW-indicatie is afgegeven, vormt geen medische onderbouwing voor het standpunt dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat bij de indicatie voor de WSW met name is uitgegaan van een beperking ten aanzien van werken in de ochtenduren en van een beperking voor tijds- en tempodruk behoeft op zichzelf nog geen aanleiding te zijn voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Voorts is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op de hoogte was van alle relevante medische gegevens. De rapportage van psycholoog Buhrs van 16 mei 2007 bevat geen andere of nieuwe informatie waaruit een medische onderbouwing volgt dat bij appellant op de datum in geding sprake is van meer beperkingen tot het verrichten van arbeid dan vastliggen in de FML van

17 juni 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van

13 juni 2016 en 23 mei 2017 overtuigend gemotiveerd waarom de door appellant overgelegde medische informatie van zijn psycholoog Buhrs van 16 mei 2007 niet kan leiden tot een ander oordeel per datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht in de medische informatie van de psycholoog geen medisch-inhoudelijke onderbouwing gevonden op grond van welke medische aandoening het standpunt wordt onderbouwd of zou kunnen worden onderbouwd dat appellant in de ochtenduren niet zou kunnen werken. Het enkel stellen van deze beperking valt voorts niet onder de expertise van een psycholoog. Ten slotte wijst de Raad op de brief van het Uwv van 8 juni 2017 waarin navolgbaar en overtuigend is ingegaan op de argumenten van appellant, zoals nader verwoord in zijn brief van

31 mei 2017, en op de door appellant overgelegde medische vervolgrapportage ZW van

9 april 2015.

4.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat de voorbeeldfuncties die aan de eerstejaars ZW-beoordeling ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht voor appellant geschikt moeten worden geacht.

4.6.

De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB