Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15/8525 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte verlaging bijstand vanwege delen van kosten met dochter die studiefinanciering moest terugbetalen. Dochter ontving studiefinanciering zodat zij feitelijk onder uitzondering kostendeler viel. Terugbetalingsverplichting maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 8525 WWB

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

23 november 2015, 15/2357 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bartels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 31 oktober 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 17 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 augustus 2014 herzien in die zin dat de bijstand is verlaagd met 10% van het netto minimumloon. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de inwonende meerderjarige dochter van appellanten, [naam dochter] (dochter), met ingang van 1 augustus 2014 geen studiefinanciering ingevolge de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) meer ontvangt en dat appellanten geacht worden de woonkosten met hun dochter te kunnen delen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voorts hebben appellanten verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd en zoals de gemachtigde van appellanten ook ter zitting heeft bevestigd, is uitsluitend de herziening over augustus 2014 in geschil.

4.2.1.

Ingevolge artikel 26 van de WWB kan het college de norm voor gehuwden verlagen, voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wsf 2000.

4.2.2.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, als bedoeld in artikel 30.

4.2.3.

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad in de verordening, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de omvang van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de gemeenteraad van de gemeente Heerlen de Toeslagenverordening 2014 (verordening) vastgesteld.

4.2.4.

In artikel 4, eerste lid, van de verordening is bepaald dat de verlaging zoals bedoeld in artikel 26 van de WWB 10% van de gezinsnorm bedraagt voor het gezin die met één of meer anderen hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. Ingevolge het tweede lid kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met:

a. studerende thuiswonende kinderen van 18 jaar en ouder met een inkomen, niet hoger dan de norm uitwonende kinderen hoger onderwijs zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wsf 2000;

b. overige thuiswonende kinderen van 18 jaar en ouder met een inkomen, niet hoger dan de norm voor thuiswonende kinderen hoger onderwijs zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wsf 2000.

4.3.

Niet in geschil is dat de dochter in de maand augustus 2014 haar hoofdverblijf had in de woning van appellanten en ouder was dan 18 jaar. Evenmin is in geschil dat de dochter in de maand augustus 2014 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (studiefinanciering) heeft ontvangen en dat dit inkomen niet hoger was dan € 633,44, de hoogte van het normbedrag op grond van de Wsf 2000 in 2014. Uit een brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) blijkt dat de dochter de over de maand augustus 2014 uitbetaalde studiefinanciering moet terugbetalen.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet met hun dochter konden delen omdat hun dochter in de maand augustus 2014 studiefinanciering ontving. Deze beroepsgrond slaagt. De in artikel 26, tweede volzin, van de WWB gemaakte uitzondering ziet op thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die aanspraak hebben op studiefinanciering, ongeacht of zij die daadwerkelijk ontvangen, zolang hun inkomen niet ligt boven de daargenoemde norm. De dochter zou, na haar MBO-opleiding per 1 augustus 2014 te hebben afgerond, per 1 september 2014 aan een HBO-opleiding beginnen en had in die hoedanigheid aanspraak op studiefinanciering. Anders dan de rechtbank en het college hebben geoordeeld laat de omstandigheid dat de dochter de over de maand augustus 2014 ontvangen studiefinanciering heeft moeten terugbetalen aan de DUO onverlet dat zij in deze periode daadwerkelijk studiefinanciering heeft ontvangen en daardoor feitelijk onder de in artikel 26, tweede volzin, van de WWB gemaakte uitzonderingsgrond viel. De stelling van het college dat de dochter per 1 augustus 2014 als zelfstandig subject voor bijstandsverlening in aanmerking had kunnen komen en dat appellanten daarom de kosten hadden kunnen delen met hun dochter, is onjuist. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2118) is studiefinanciering aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat betrokkene de studiefinanciering ten onrechte heeft ontvangen en moet terugbetalen doet, zoals de Raad vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1253), niet af aan het feit dat de betrokkene gedurende die periode studiefinanciering heeft ontvangen en daardoor feitelijk over middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Voorts biedt artikel 26 van de WWB, anders dan het college meent, geen ruimte om rekening te houden met de mogelijkheid van de dochter om - naast de ontvangen studiefinanciering - inkomsten uit arbeid te verwerven.

4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep van appellanten slaagt, zodat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.4 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit voor zover het de herziening over de maand augustus 2014 betreft vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 17 december 2014 in zoverre te herroepen.

5. Het verzoek van appellanten om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen omdat in de onderhavige procedure, die enkel ziet op de herziening van de bijstand over de maand augustus 2014, niet is komen vast te staan dat er ten onrechte geen bijstand is uitgekeerd dan wel ten onrechte bijstand is teruggevorderd.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 juni 2015 voor zover het betreft

de herziening over de maand augustus 2014;

- herroept het besluit van 17 december 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 17 juni 2015;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L.V. van Donk

HD