Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
15/1584 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de medische situatie van appellante onjuist hebben ingeschat. Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen overtuigende functiestoornissen aangetroffen. Geschikt voor de maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1584 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
26 januari 2015, 14/3179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schlepers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellante is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Schlepers. Tevens zijn verschenen E. Battaloglu, tolk, en

[naam] , getuige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend om het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op de door appellante ingediende medische stukken. Het Uwv heeft dit gedaan.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als verzorgende in de thuiszorg voor 38 uur per week. Haar dienstverband liep van 1 januari 2012 tot 7 juli 2012. Appellante is op 22 augustus 2012 bevallen. Zij heeft zich op 1 november 2012 ziek gemeld met spier- en gewrichtsklachten. Naar aanleiding hiervan heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.2.

Appellante heeft zich op 4 maart 2014, na een tweede zwangerschap en bevalling op

17 december 2013, ziek gemeld met spier- en gewrichtsklachten, bekkenklachten, beenklachten en psychische klachten.

Op 25 maart 2014 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 2 april 2014 geschikt geacht voor het vervullen van haar arbeid als verzorgende in de thuiszorg. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van
25 maart 2014 vastgesteld dat appellante per 2 april 2014 geen recht meer heeft op een
ZW-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
17 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juli 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Er is geen aanleiding gezien om de bevindingen van deze arts niet te onderschrijven. Appellante heeft in beroep geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan diens medisch oordeel. In het standpunt van appellante dat zij in oktober 2013 met dezelfde klachten nog ongeschikt werd geacht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Hiertoe is overwogen dat de gezondheidstoestand van appellante in oktober 2013 niet relevant hoeft te zijn voor de beoordeling van haar gezondheidstoestand in maart 2014. Voorts kan de zwangerschap van appellante tot gevolg hebben gehad dat zij in oktober 2013 nog ongeschikt werd geacht om haar werk te doen. De rechtbank heeft daarom onvoldoende aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv ten onrechte heeft gesteld dat appellante, ondanks haar klachten, met ingang van
2 april 2014 in staat geacht kan worden te werken in haar arbeid.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep, net als in beroep, op het standpunt gesteld dat het Uwv haar lichamelijke en psychische beperkingen heeft onderschat. Na haar zwangerschap is zij ziek geworden als gevolg van bekkeninstabiliteit, een mogelijke hernia, een liesbreuk en een lichte depressie. Ze is beperkt bij lopen, tillen, bukken en heeft pijn bij zitten en liggen. Verder heeft ze last van vergeetachtigheid. Ten gevolge van haar beperkingen acht appellante zich niet in staat haar eigen arbeid te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt, voor een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In dit geval is het Uwv terecht uitgegaan van het werk van een verzorgende in de thuiszorg als de maatgevende arbeid.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek onjuist is. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven.

4.3.

In hoger beroep worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de medische situatie van appellante onjuist hebben ingeschat. Evenmin is nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv appellantes belastbaarheid hebben overschat. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.4.

De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie, te weten een brief van 10 november 2015 van ambulant behandelaar F. Arends en GZ-psycholoog I. van Gunst van GGZ Drenthe en een brief van indicatieadviseur M. Mulder van de gemeente Hoogezand-Sappemeer van 25 januari 2016, met daarbij gevoegd een gespreksverslag van
20 januari 2016, leidt niet tot een ander oordeel. Aan deze informatie kan niet het gewicht worden toegekend dat appellante daaraan wenst toe te kennen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 1 april 2016 overwogen dat de in de brief van de

GZ-psycholoog van 10 november 2015 genoemde diagnose depressieve episode, licht, al door psychiater C.J. Blijd, verbonden aan Inter-psy, is genoemd op 24 juni 2014. De somatoforme stoornis is al onderkend door de primaire verzekeringsarts op 25 maart 2014. Ook de lichte zwakzinnigheid is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep al bekend uit een bij Inter-psy verricht psychologisch onderzoek van 25 april 2014. Tot op heden hebben de specialisten geen oorzaak gevonden voor de ernst van de klachten van appellante. Bij eerder verzekeringsgeneeskundig onderzoek werden geen functiebeperkingen van het geheugen geobjectiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geconcludeerd dat in de door appellante overgelegde medische stukken geen sprake is van nieuwe medische informatie die moet leiden tot een wijziging in het standpunt. Er wordt geen aanleiding gezien de overwegingen en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.5.

Het standpunt van appellante ter zitting, dat zij zich tijdens het bezoek aan het spreekuur van de verzekeringsartsen opgewekter heeft voorgedaan dan ze zich daadwerkelijk voelde, kan ook niet leiden tot een ander oordeel. Uit de informatie van de behandelend sector blijkt dat sprake is van een depressieve episode, licht tot matig, die situatie is onderkend en meegenomen in de weging. Bij appellante is volgens hem duidelijk dat een deel van de lichamelijke klachten een uiting is van psychisch onwelbevinden. Het vermogen om de psychische klachten te hanteren hangt niet alleen af van de mate van verstandelijke beperking, maar ook van de ernst van de klachten. Essentieel bij deze beoordeling is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vraag in hoeverre appellante, ondanks klachten, belastbaar is voor arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de beschikbare gegevens overwogen dat appellante in staat is te zorgen voor de huishouding, haar zieke echtgenoot en de kinderen. Ze beschikt over autonomie. Er is niet gesteld dat appellante niets mankeert, ze is mentaal overbelast ten aanzien van de thuissituatie. Dat betekent echter volgens verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat appellante niet in staat is de maatgevende arbeid te verrichten. Gelet op deze gemotiveerde conclusie wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn conclusie, waarbij van belang is dat de depressieve klachten geen ernstige vorm hebben aangenomen en appellante in staat is geweest te werken als verzorgende, ondanks haar lichte verstandelijke handicap.

4.6.

Wat betreft de lichamelijke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek geen overtuigende functiestoornissen aangetroffen. In de argumenten van appellante worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat deze arts ten tijde in geding geen juist beeld heeft gehad van de lichamelijke klachten en de belastbaarheid van appellante.

4.7.

Wat appellante verder heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat zij met ingang van 2 april 2014 geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.D.F. de Moor

AB