Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15/7853 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met niet gemelde, op geld waardeerbare werkzaamheden bij garage. Vooronderstelling dat bij aanwezigheid in bedrijf werkzaamheden worden verricht. Periode van medisch niet in staat zijn geweest tot werkzaamheden valt buiten periode van verrichten werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7853 WWB

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 oktober 2015, 15/2076 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere reacties ingediend.

Appellant heeft op verzoek van de Raad een nadere schriftelijke reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Appellanten zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Appelman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Gelder. Als getuige is gehoord [naam 1] te [gemeente] [naam 1] , mede-eigenaar van het bedrijf [bedrijf 1] .

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 5 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 19 juni 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), welke aanvraag is afgewezen. Voorafgaand aan die aanvraag heeft hij op

11 februari 2014 en 1 april 2014 gesprekken gevoerd met mevrouw [naam 2] , medewerkster van de gemeente Alkmaar. Appellant wilde een eigen onderneming in de verkoop van tweedehands auto’s starten. Bij het gesprek is bij [naam 2] het vermoeden ontstaan dat appellant al begonnen was met de werkzaamheden. Naar aanleiding hiervan hebben handhavingsmedewerkers van de gemeente Alkmaar een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers onder meer waarnemingen verricht in de periode van 14 april 2014 tot en met 18 november 2014 en appellanten afzonderlijk van elkaar op 25 november 2014 gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2014.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

24 december 2014 de bijstand van appellanten in te trekken over de periode van 1 januari 2012 tot 25 december 2014. Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 november 2014 tot een bedrag van € 56.140,72 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 15 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 december 2014 en 30 december 2014 gegrond verklaard in die zin dat de intrekking is beperkt tot de periode van 1 januari 2012 tot 26 maart 2013 en de periode van 26 september 2013 tot 25 december 2014. Tevens is vermeld dat de bijstand van appellanten is beëindigd met ingang van 25 december 2014. Over de periode van 26 maart 2013 tot 26 september 2013 wordt geen bijstand teruggevorderd. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, waarvan hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting aan het college geen opgave heeft gedaan. Appellant was vanaf begin 2012 een groot deel van de week aanwezig bij de bedrijven [bedrijf 1] onderscheidenlijk [bedrijf 2] . In 2011 heeft hij stage gelopen bij [bedrijf 1] . Na zijn stage is hij daar werkzaamheden blijven verrichten. Van deze werkzaamheden heeft appellant geen administratie bijgehouden, waardoor het recht op bijstand achteraf niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2012 tot 26 maart 2013 en van

26 september 2013 tot 25 december 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant tijdens de twee gesprekken met [naam 2] heeft gemeld dat hij rondkeek bij [bedrijf 1] , zodat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden.

4.3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellant voorafgaand aan zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Bbz 2004 op 11 februari 2014 en 1 april 2014 gesprekken heeft gevoerd met [naam 2] Uit de verslagen van de gesprekken blijkt niet dat appellant van een voorgenomen stage melding heeft gemaakt. Voorts blijkt uit een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van een getuigengehoor van [naam 2] op 26 mei 2015 dat [naam 2] tegenover een toezichthouder van de gemeente Alkmaar heeft verklaard dat zij op 11 februari 2014 en 1 april 2014 met appellant heeft gesproken en dat hij haar heeft verteld dat hij een paar jaar geleden stage heeft gelopen bij een autobedrijf. [naam 2] heeft appellant voor het eerst op 11 februari 2014 gesproken en heeft hem toen niet aangeraden om stage te gaan lopen. [naam 2] wist ook niet dat appellant nadien weer stage was gaan lopen. Volgens haar heeft appellant in 2011 ongeveer drie maanden stage gelopen. Het was haar niet bekend dat appellant dagenlang bij garage [bedrijf 1] onderscheidenlijk [bedrijf 2] aanwezig was. Appellant heeft niet met objectieve stukken onderbouwd dat hij, ondanks deze verklaring van [naam 2] tegenover de toezichthouder, toch melding van een voorgenomen stage bij [naam 2] heeft gemaakt.

4.4.

Appellanten hebben betwist dat appellant in de te beoordelen periode vrijwel dagelijks aanwezig was op het terrein van de autobedrijven [bedrijf 1] of [bedrijf 2] .

4.4.1.

Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat appellant in de te beoordelen periode vrijwel dagelijks aanwezig was op het terrein van de autobedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Dit volgt uit de waarnemingen waaruit blijkt dat de auto van appellant in de periode van 14 mei 2014 tot en met 24 juni 2014 regelmatig op het bedrijventerrein van

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] geparkeerd stond en appellant door de toezichthouders ook op het terrein is gezien. Voorts heeft appellant tijdens zijn gehoor op 25 november 2014 verklaard dat hij vijf à zes dagen per week, vaak hele dagen, bij [bedrijf 1] aanwezig is, dat hij daar in 2011 stage heeft gelopen, dat hij daar na die stage gebleven is en sinds die tijd daar vaak, soms wel vijf dagen per week, komt. Anders dan appellanten aanvoeren, kan van deze verklaring van appellant worden uitgegaan. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. De in dit kader naar voren gebrachte beroepsgrond dat appellant de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, zodat een tolk aanwezig had moeten zijn bij het gehoor, slaagt niet. Uit het rapport van de door appellant afgelegde en ondertekende verklaring, dat op ambtsbelofte is opgemaakt, blijkt dat door de handhavingsmedewerkers expliciet aan appellant is gevraagd of hij de Nederlandse taal spreekt en begrijpt, welke vraag appellant bevestigend heeft beantwoord. Uit een

re-integratierapport van 14 maart 2011 blijkt voorts dat appellant geslaagd is voor het inburgeringsexamen op niveau A2 en uit een brief van 21 februari 2012 van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) blijkt dat appellant het Staatsexamen Nederlands als tweede taal op het onderdeel “luisteren” met een voldoende heeft gehaald. Appellant heeft tijdens het gehoor een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd. Uit het rapport van het gehoor blijkt niet dat appellant problemen had met de Nederlandse taal. Hieruit volgt dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om bij het gehoor een tolk in te schakelen.

4.4.2.

De beroepsgrond dat appellant in januari 2012 en een deel van februari 2012 nog een opleiding volgde en dus niet aanwezig kan zijn geweest bij de [bedrijf 1] , slaagt niet. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de brief van DUO van

21 februari 2012. Hieruit blijkt echter alleen dat appellant het Staatsexamen Nederlands als tweede taal op het onderdeel luisteren heeft gehaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in die periode onderwijs volgde waardoor hij niet bij [bedrijf 1] aanwezig kon zijn.

4.4.3.

Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat appellant in de te beoordelen periode vrijwel dagelijks gedurende en groot deel van de dag aanwezig was op het terrein van de autobedrijven [bedrijf 1] of [bedrijf 2] .

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024) veronderstelt de aanwezigheid op een werkplek tijdens reguliere arbeidsuren dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.5.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de autobedrijven, maar daar slechts om sociale redenen aanwezig was omdat er veel Libanezen in “De Autohoek” komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.2.

Uit de waarnemingen is naar voren gekomen dat appellant op 13 mei 2014 naar de Beverwijkse Bazaar reed, daar iets uit zijn kofferbak pakte en vervolgens om 09.05 uur in een kleine rode vrachtwagen of ambulance stapte met daarop de tekst: “Automarkt Nederland”. Op 30 mei 2014 tussen 19.10 uur en 19.20 uur hebben handhavingsmedewerkers gezien dat appellant aanwezig was op het terrein van [bedrijf 2] , daar met een sleutelbos in zijn hand liep, waarna de handhavingsmedewerkers hebben gezien dat hij zich buiten het terrein begaf en hebben zij geconstateerd dat het hek naar het terrein was afgesloten. Voorts heeft appellant tijdens het gehoor op 25 november 2014 verklaard dat hij wel eens helpt in [bedrijf 1] . Hij doet ervaring op met de in- en verkoop van auto’s, haalt onderdelen op en past op de zaak als dat nodig is. Soms opent hij het bedrijf, vandaar dat hij met sleutels is gezien en hij heeft een aantal keren geholpen om spullen voor het bedrijf te verhuizen. Ook heeft hij auto’s overgebracht of versleept. Zoals onder 4.4.1 is overwogen, kan appellant aan deze verklaring worden gehouden. De door appellant overgelegde brief van M van 13 juli 2015, waarin M verklaart dat appellant alleen in de garage kwam om wat te kletsen en koffie te drinken en wat te barbecueën en daar nooit heeft gewerkt, de door M ter zitting afgelegde verklaring dat appellant geen werkzaamheden in de garage heeft verricht en bij zijn stage in 2011 alleen gekeken heeft, en de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] , die verklaren dat zij samen met appellant naar [bedrijf 1] gingen om koffie te drinken en te kletsen en appellant daar dus nooit gewerkt heeft, zijn onvoldoende concreet in tijd en niet met verifieerbare stukken onderbouwd, zodat deze niet aan de waarnemingen en de verklaring van appellant kunnen afdoen.

4.5.3.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat hij in 2013 lange tijd uit de roulatie was in verband met een val tijdens een vakantie in Libanon, zodat hij in die periode niet kan hebben gewerkt. Deze beroepsgrond slaagt. Uit de door appellant overgelegde verklaring van de huisarts van 30 juni 2015 en een verklaring van de fysiotherapeut van 3 juli 2015, alsmede uit een verslag van de bedrijfsarts van een spreekuurbezoek van appellant op 15 augustus 2013, blijkt dat appellant in juli 2013 van de trap is gevallen. Uit de verklaring van de fysiotherapeut blijkt dat hij van 9 september 2013 tot en met 11 november 2013 aldaar in verband met

rug- en nekklachten onder behandeling is geweest. De conclusie van de fysiotherapeut was dat appellant een forse mobiliteitsbeperking had, een verstoorde ademhaling als gevolg van pijn en dat hij een rugbrace draagt en medicatie gebruikt. Het resultaat was dat appellant na vier weken tien minuten buiten kon lopen met brace, binnenshuis loopt hij zonder brace. Pijnmedicatie was gestopt maar door een val tegen een hekje waren de klachten weer toegenomen. Opbouw van belastbaarheid door oefentherapie ging hierdoor moeizaam. Na 11 november 2013 heeft de fysiotherapeut appellant niet meer onder behandeling gehad. In het verslag van de bedrijfsarts is vermeld dat appellant van 20 tot en met 22 juli 2013 opgenomen is geweest in het ziekenhuis, dat er objectiveerbare afwijkingen zijn geconstateerd aan de onderrug, waarbij de bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden waren en heeft voorgesteld appellant voor een half jaar te laten werken aan zijn herstel en hem dan weer uit te nodigen. Anders dan het college betoogt, heeft appellant met deze stukken aannemelijk gemaakt dat hij, voor zover hier van belang, in de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013 door zijn lichamelijke gesteldheid geen van belang zijnde werkzaamheden kan hebben verricht in “De Autohoek”. Gelet op de ernst van de door de fysiotherapeut beschreven klachten kan het standpunt van het college dat appellant ondanks deze klachten toch werkzaamheden kan hebben verricht in [bedrijf 1] , niet worden gevolgd. De waarnemingen hebben ook niet in die periode plaatsgevonden. Voor het standpunt van appellant dat hij na 11 november 2013 niet meer naar de fysiotherapeut is gegaan omdat de verzekering de kosten niet meer dekte, maar hij door de klachten aan zijn rug ook na 11 november 2013 geen werkzaamheden kon verrichten, bieden genoemde medische stukken geen steun. Het advies van de bedrijfsarts op 15 augustus 2013 om appellant zes maanden te laten werken aan zijn herstel is hiervoor onvoldoende. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013 geen stand kan houden.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5.3 volgt dat appellant in de periode van 1 januari 2012 tot 26 maart 2013 en van 12 november 2013 tot 25 december 2014 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Nu het appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat de activiteiten van appellant voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, hebben appellanten, door van die activiteiten geen melding te maken bij het college, de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.1.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Appellanten hebben geen duidelijkheid verschaft over de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden in het autobedrijf. Appellanten hebben geen boekhouding of administratie overgelegd van de gewerkte uren, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel appellant had kunnen verdienen met deze werkzaamheden. Daardoor blijft onduidelijk of en hoeveel inkomsten appellant heeft gehad of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen uit deze niet gemelde werkzaamheden.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8.1 volgt dat het college gehouden was de bijstand van appellanten over de periode 1 januari 2012 tot 26 maart 2013 en de periode van 12 november 2013 tot 25 december 2014 op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB in te trekken. Voorts was het college gehouden de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen en de bijstand met ingang van 25 december 2014 te beëindigen.

4.10.

Uit 4.5.3 volgt dat het college de bijstand over de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013 ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellanten over de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013 en, omdat een besluit tot terugvordering ondeelbaar is, voor zover het ziet op de terugvordering geheel, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 30 december 2014 te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Tevens zal de Raad het besluit van 24 december 2014 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.11.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.12.

Het verzoek van appellanten om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen. Het college heeft in zijn brief van 24 maart 2017 medegedeeld dat appellant van het teruggevorderde bedrag van € 46.977,71 tot dan toe slechts een bedrag van € 2.652,51 heeft afgelost. Hieruit volgt dat geen aanleiding tot vergoeding van wettelijke rente bestaat.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, alsmede de kosten van de in hoger beroep meegebrachte getuige van € 260,-, in totaal dus

€ 2.240,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 april 2015 voor zover dat ziet

op de intrekking van de bijstand over de periode van 26 september 2013 tot en met

11 november 2013 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 24 december 2014 voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over

de periode van 26 september 2013 tot en met 11 november 2013 en bepaalt dat deze

uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

15 april 2015;

- draagt het college op met in achtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen

op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 30 december 2014 en bepaalt dat tegen

het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.240,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) W.H. Bel

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD