Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
16/2265 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling) terecht afgewezen. Niet voldaan aan de strikte conflicteis in de zin van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/2265 WSF

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

1 maart 2016, 15/1682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak 16/2266 WSF. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn moeder. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft bij de minister op 21 augustus 2014 een verzoek ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader (verzoek om loskoppeling), omdat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen hem en zijn vader dan wel omdat de voor hem vastgestelde alimentatie ten minste

12 maanden oninbaar is.

1.2.

Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen.

1.3.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd. Vervolgens is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe is overwogen dat appellant niet aan de hand van een verklaring van een deskundige, als voorgeschreven in artikel 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000), heeft aangetoond dat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen hem en zijn vader. Voorts heeft de rechtbank uit de stukken afgeleid dat voor appellant geen alimentatie is vastgesteld, zodat van niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bsf 2000 geen sprake is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hij heeft daarbij betoogd dat met de door hem in bezwaar en beroep overgelegde gegevens en de bij brief van 22 februari 2017 ingediende verklaring van zijn huisarts is aangetoond dat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen hem en zijn vader. Verder heeft appellant gesteld dat zijn vader de in het echtscheidingsconvenant vastgelegde alimentatieverplichting, vanaf enkele maanden na de scheiding van zijn ouders, niet is nagekomen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Volgens de nota van toelichting bij het Bsf 2000 valt bij een ernstig en structureel conflict in de zin van de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Bsf 2000, te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie dat loskoppeling de enige weg is. Als voorbeelden daarvan worden genoemd gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld dan wel gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof.

4.3.

Uit wat appellant heeft aangevoerd, en de ter ondersteuning daarvan overgelegde verklaringen, valt het volgende af te leiden. Tot kort voor de scheiding van appellants ouders in 2010 was sprake van een onveilige gezinssituatie. Appellant, zijn moeder en zijn zusje moesten regelmatig het huis ontvluchten wegens het agressieve gedrag van vader na overmatig alcoholgebruik. Het alcoholgebruik van vader domineerde het gezin en trok een zware wissel op het gezinsleven. Na de scheiding van zijn ouders had appellant sporadisch contact met zijn vader. Deze contacten liepen voor appellant steevast uit op een teleurstelling en/of conflict omdat hij geen waardering van zijn vader kreeg, zijn vader geen enkele verantwoordelijkheid nam voor zijn gedrag in het verleden en zijn vader aangaf het ontbreken van contact met appellant niet zo erg te vinden. In de loop van het jaar 2013 heeft appellant het contact met zijn vader geheel verbroken. Appellant wil niets meer met zijn vader te maken hebben. Hij vindt dat zijn vader een groot deel van zijn jeugd heeft verpest en zich jegens hem niet heeft gedragen als een vader.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de relatie tussen appellant en zijn vader structureel verstoord is. Van een wezenlijke ouder-kindrelatie is reeds lang geen sprake. Dat appellant zeer boos en gekwetst is door het gedrag van zijn vader, die het tegenover hem flink heeft laten afweten en geen wezenlijke verantwoordelijkheid voor zijn zoon heeft genomen, is zeer invoelbaar. Echter, daaruit kan niet worden geconcludeerd dat loskoppeling is aangewezen. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. Gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000, is de beoordeling beperkt tot de periode die aanvangt twee jaar voor de indiening van de aanvraag, derhalve de periode augustus 2012 tot de datum van het bestreden besluit. Anders dan in het verleden is ten tijde hier van belang blijkens de overgelegde verklaringen geen sprake van (dreiging van) geestelijke en/of lichamelijke mishandeling van appellant door zijn vader. Aan het verbreken van het contact in 2013 hebben andere motieven ten grondslag gelegen.

4.5.

Gelet op wat is overwogen in 4.3 en 4.4 voldoet de situatie van appellant niet aan de strikte conflicteis in de zin van de wet.

4.6.

Als al kan worden aangenomen dat met de afspraken in het echtscheidingsconvenant voor appellant ten laste van zijn vader alimentatie is vastgesteld die in rechte afdwingbaar zou zijn, dan leidt de omstandigheid dat appellant geen acties heeft ondernomen om de alimentatie te innen tot de conclusie dat evenmin voldaan is aan de loskoppelingsgrond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bsf 2000.

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskosten in de veroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.S.E.S. Umans

AB