Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15-5133 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen wegens niet opgegeven onroerend goed. Recht niet vast te stellen. Gehouden tot boeteoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5133 WWB, 15/5134 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 juni 2015, 15/686 en 15/1797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Sarin, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Boonstra en

C. van Bodegom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 3 mei 2012 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek onder bijstandsgerechtigden die regelmatig in het buitenland verblijven, heeft het college het Internationaal Bureau

Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek in Turkije in te stellen naar onroerende zaken op naam van appellant. Over het vervolgens in opdracht van het IBF door het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara verrichte onderzoek heeft een buitendienst medewerker gerapporteerd dat appellant bezittingen in Turkije had in de vorm van onroerend goed, getaxeerd op een waarde van, omgerekend van Turkse lira (TL), meer dan een miljoen euro. De bevindingen van het door het IBF verrichte onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 11 februari 2014.

1.3.

Tijdens een gesprek op 2 april 2014 van een sociaal rechercheur en een handhaver van de afdeling Samenleving van de gemeente Beverwijk (rapporteurs) met appellant is hij geconfronteerd met het vermoeden van deze bezittingen in Turkije. Appellant heeft deze bezittingen ontkend, gesteld dat het om een andere persoon met dezelfde naam moet gaan en voorts onder andere verklaard dat hij in 2007 voor een bedrag van 80.000,- TL op krediet een appartement heeft gekocht. In dit gesprek hebben de rapporteurs appellant verzocht om nadere gegevens te verstekken over zijn personalia, waaronder zijn Turkse identiteitskaart, en over het door hem in 2007 gekochte appartement, opdat het college daarnaar nader onderzoek zou kunnen doen. Appellant heeft deze gegevens niet overgelegd.

1.4.

De onderzoeksbevindingen van het IBF zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 juni 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 3 mei 2012 in te trekken en vanaf 29 maart 2014 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij dit besluit heeft het college tevens de over de periode van 3 mei 2012 tot 29 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.640,78 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Tijdens de behandeling van het bezwaar tegen besluit 1, heeft appellant zijn Turkse identiteitsbewijs, een uittreksel op zijn naam uit het register onroerende zaaksbelasting, een identiteitsnummer en een verklaring van een bank in Turkije van 25 april 2014 overgelegd. Op basis van deze informatie heeft het college vastgesteld dat appellant niet de persoon is die beschreven staat in het rapport van het IBF van 11 februari 2014.

1.6.

Het college heeft bij besluit van 29 december 2014 (bestreden besluit 1) het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van het appartement in Turkije. Omdat hij geen gegevens heeft overgelegd op grond waarvan de waarde van dit appartement kan worden vastgesteld, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het college aan appellant een boete opgelegd van

€ 9.710,84. Bij besluit van 18 december 2014 (besluit 2) heeft het college het besluit van

7 oktober 2014 herroepen en de boete vastgesteld op een bedrag van € 2.427,74. Na bezwaar heeft het college besluit 2 gehandhaafd bij besluit van 16 maart 2015 (bestreden besluit 2). Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het college te veel bijstand heeft betaald. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete is het college uitgegaan van een netto benadelingsbedrag van € 9.710,84 over de periode van 1 januari 2013 tot

29 maart 2014 en van verminderde verwijtbaarheid van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat het recht op bijstand ondanks de schending van de inlichtingenverplichting wel kan worden vastgesteld. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij voldoende heeft aangetoond dat het appartement geen hoge waarde vertegenwoordigt en dat hij alsnog recht op bijstand heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 3 mei 2012, de datum met ingang waarvan het recht wordt introkken, tot en met 25 juni 2014, de datum van het intrekkingsbesluit

(besluit 1).

4.2.

Niet in geschil is dat appellant al bij aanvang van de bijstand en gedurende de gehele te beoordelen periode een appartement in [gemeente] (Turkije) in zijn bezit heeft gehad en dat appellant van dit bezit tot aan het gesprek op 2 april 2014 nimmer melding heeft gemaakt bij het college.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Appellant is hierin niet geslaagd. Anders dan appellant heeft aangevoerd zijn er geen aanwijzingen dat zijn vermogen, in het bijzonder voormeld appartement, bij aanvang van de bijstand, noch in de daarop volgende periode van bijstand, onder de voor hem geldende vermogensgrens lag. De onder 1.5 genoemde door appellant overgelegde gegevens zijn daartoe onvoldoende, omdat daaruit niet volgt wat de waarde van het appartement was gedurende de te beoordelen periode. Dit geldt evenzeer voor de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van 24 juni 2015 van makelaar [makelaar] . Deze makelaar verklaart dat het appartement in 2015 90.000,- TL, omgerekend € 27.450,45, waard is. Deze verklaring maakt echter niet duidelijk waarop deze waardevaststelling gebaseerd is en ziet bovendien niet op de te beoordelen periode. Deze verklaring kan daarom niet dienen ter onderbouwing van de grond van appellant dat de waarde van het appartement bijstandverlening in de te beoordelen periode niet in de weg staat.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college zich op goede grond op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet was vast te stellen. Gelet op 4.3 was het college op grond van artikel 53, derde lid, van de Participatiewet (PW) dan ook gehouden om het recht op bijstand met ingang van 3 mei 2012 in te trekken en de kosten van verleende bijstand over de periode van 3 mei 2012 tot 29 maart 2014 terug te vorderen.

4.6.

Niet in geschil is dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Gelet hierop was het college op grond van artikel 18a van de WWB (thans PW) in beginsel gehouden wegens schending van de inlichtingenverplichting aan appellant een boete op te leggen. Tegen de boete of de vaststelling van de hoogte daarvan heeft appellant geen andere dan onder 3 genoemde gronden aangevoerd. Dit behoeft daarom geen bespreking. De door het college opgelegde boete is evenredig te achten.

4.7.

Uit 4.1 en 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

HD