Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16/4380 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen, boete. Op grond van hoeveelheid aangetroffen gedroogde hennepplanten (3 kg) is de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van handel. Op geld waardeerbare activiteiten vanaf aantreffen hennep. Dat van opzet sprake is bij verzwegen strafbare activiteiten waarmee geld verdiend kan worden is onjuiste uitleg van begrip opzet.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18a
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/196
USZ 2017/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2016, 15/3623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C.M. Hoving en R. Goed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 4 december 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Het college heeft op 11 september 2013 een onderzoek doen starten naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat het uitgavenpatroon van appellanten niet in overeenstemming was met de inkomsten waarvan zij melding hadden gedaan aan de afdeling Handhaving van de gemeente Midden-Drenthe (gemeente). Het college heeft de bijstand evenwel ongewijzigd voortgezet.

1.3.

De politie Noord-Nederland, districtsrecherche Drenthe (politie) heeft in een bestuurlijke rapportage van 12 maart 2014 aan de burgemeester van de gemeente (bestuurlijke rapportage) meegedeeld dat tijdens het opsporingsonderzoek Palmlori is gebleken dat onder meer appellant deel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband dat in een keten van hennepteelt actief is. In deze bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 11 november 2013 in de woning van appellanten 3.262,5 gram gedroogde henneptoppen zijn aangetroffen en dat appellant daarover op 27 november 2013 tegenover de politie heeft verklaard dat de wiet hem in eigendom toebehoort, het buiten gekweekte wiet is en dat hij het niet zelf heeft gekweekt. Voorts is in de bestuurlijke rapportage vermeld dat op 4 maart 2014 (opnieuw) een doorzoeking in de woning van appellanten heeft plaatsgevonden, waarbij vier kilogram henneptoppen, diverse goederen die met hennepkweek in verband kunnen worden gebracht en een vuurwapen zijn aangetroffen.

1.4.

Naar aanleiding van het onder 1.2 genoemde onderzoek en de op 11 november 2013 in de woning van appellanten aangetroffen henneptoppen, hebben controlemedewerkers van de afdeling Samenlevingszaken van de gemeente nader onderzoek verricht. In dit kader zijn appellanten, afzonderlijk van elkaar, op 19 december 2013 gehoord. Appellant heeft tijdens dit gehoor - voor zover hier van belang - verklaard dat de op 11 november 2013 in de woning aangetroffen hennep door hem is meegenomen, dat hij zelf hennep rookt en dat de hennep voor eigen gebruik was. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij verder hierover alles aan de politie heeft verteld en daarover niets aan de controlemedewerkers hoeft te verklaren. Appellante heeft tijdens het gehoor meegedeeld dat zij weigert elke vraag die gaat over de aangetroffen hennep te beantwoorden en dat als het gesprek hierover gaat, dit wat haar betreft is afgelopen. De bevindingen van het door de controlemedewerkers verrichte onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 12 februari 2014.

1.5.

De onderzoeksbevindingen en de gegevens, die nadien zijn vastgelegd in de bestuurlijke rapportage, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 februari 2014 de bijstand van appellanten met ingang van 4 december 2012 in te trekken en bij besluit van

27 maart 2014 de kosten van verleende bijstand over de periode van 4 december 2012 tot en met 18 december 2013 van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 16.237,82 (bruto). Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij geen melding hebben gemaakt van drie kilogram wiettoppen, die in de woning is aangetroffen en evenmin van de middelen waarover appellanten, naar op grond van de aangetroffen wiettoppen aannemelijk is, beschikken of hebben beschikt. Naar aanleiding van het door appellanten tegen deze besluiten ingediende bezwaar en de behandeling daarvan door de commissie bezwaarschriften van de gemeente heeft het college nader onderzoek laten verrichten. In dat kader is een aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie uitgebracht, waarop het college een reactie, gedateerd op 14 november 2014, heeft gegeven. Bij besluit van 17 april 2015 heeft het college het bezwaar, gericht tegen de besluiten van 12 februari 2014 en 27 maart 2014, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten geen beroep ingesteld.

1.6.

Bij brief van 19 november 2014 heeft het college aan appellanten te kennen gegeven voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen en appellanten in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven. Appellanten hebben geen zienswijze ingediend.

1.7.

Bij besluit van 29 december 2014 heeft het college aan appellanten een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 13.157,46, zijnde 100% van het benadelingsbedrag. Naar aanleiding van het hiertegen gerichte bezwaar van appellanten heeft het college bij besluit van 27 juli 2015 (bestreden besluit) de hoogte van de boete vastgesteld op € 11.664,66. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten in de periode van 4 december 2012 tot en met 18 december 2013 opzettelijk de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit hennepteelt en deelname aan criminele activiteiten, zodat - voor zover thans van belang - een boete van 100% van het benadelingsbedrag moet worden opgelegd en over de periode vóór 1 januari 2013 in verband met het overgangsrecht 5%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 29 december 2014 herroepen en de boete vastgesteld op

€ 3.400,-.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft het college meegedeeld dat de motivering van het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. Thans stelt het college zich op het standpunt dat de aan de boeteoplegging ten grondslag gelegde schending van de inlichtingenverplichting hierin bestaat dat appellanten niet hebben gemeld dat appellant op geld waardeerbare activiteiten, gerelateerd aan handel en teelt van hennep, heeft verricht. Hieruit volgt dat de motivering aan het bestreden besluit is komen te ontvallen, zodat aan dit besluit een motiveringsgebrek kleeft. De Raad ziet aanleiding om het gebrek in de motivering van het bestreden besluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu aannemelijk is dat appellanten hierdoor niet zijn benadeeld.

4.2.

Hoewel, zoals uit 1.6 volgt, in rechte is komen vast te staat dat appellanten over de te beoordelen periode, die loopt van 4 december 2012 tot en met 18 december 2013, geen recht op bijstand hebben, moet in het kader van de boeteoplegging over de schending van de inlichtingenverplichting, evenals over de feiten, bij betwisting daarvan een zelfstandig oordeel worden gegeven. Dit uitgangspunt bij de waardering van het bewijsmateriaal bij een opgelegde boete kan met zich meebrengen dat de bestuursrechter bepaalde feiten, die bij beantwoording van de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als vaststaand hebben te gelden, in het kader van de toetsing van een met de schending van de inlichtingenverplichting direct samenhangende bestuurlijke boete, niet als vaststaand mag aannemen, omdat het bewijsmateriaal daarvoor niet overtuigend genoeg is. Zie de uitspraken van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024, en 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij niet de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij betwisten dat appellant op geld waardeerbare activiteiten in het kader van hennepteelt heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Niet in geschil is dat appellanten op 11 november 2013 ruim drie kilogram gedroogde henneptoppen in hun woning aanwezig hadden en dat op 4 maart 2014 bij een doorzoeking door de politie wederom een aanzienlijke hoeveelheid henneptoppen, nu vier kilogram, in de woning van appellanten is aangetroffen. Evenmin is in geschil dat appellanten dit niet hebben gemeld aan het college. De enkele stelling van appellanten dat geen sprake is van handel maar van buiten gekweekte wiet bestemd voor eigen gebruik, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

4.4.2.

Op grond van de hoeveelheid van de aangetroffen gedroogde henneptoppen, die de gedoogde hoeveelheid aanwezig of voorhanden te hebben hennep voor eigen gebruik ruim overschrijdt, is de conclusie gerechtvaardigd dat deze is bestemd voor handel. Appellanten hebben hun stelling dat sprake is van buiten gekweekte wiet en dat daarvan moet worden aangenomen dat deze van slechte of aanzienlijk mindere kwaliteit is waarvoor een grotere hoeveelheid moet worden geteeld om voor eigen gebruik te consumeren, niet met objectieve gegevens ondersteund. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt voorts dat op 4 maart 2013 opnieuw een handelshoeveelheid henneptoppen in de woning van appellanten is aangetroffen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat appellant na de inbeslagname van de op 11 november 2013 aangetroffen henneptoppen, de handel daarin niet heeft gestaakt. Het college heeft zich dan ook op goede grond op het standpunt gesteld dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in de hennephandel gedurende de periode van het aantreffen van de henneptoppen op 11 november 2013 tot en met 18 december 2013.

4.4.3.

De bestuurlijke rapportage biedt evenwel geen feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in het kader van de hennephandel gedurende de periode van 4 december 2012 tot 11 november 2013. De in de bestuurlijke rapportages opgenomen constateringen over de betrokkenheid van appellant bij criminele activiteiten in het kader van hennephandel zijn onvoldoende concreet. In de rapportages zijn over deze periode slechts vermoedens en aannames geformuleerd, zonder onderbouwing met controleerbare bewijsstukken. Aangezien het op de weg van het college ligt om de grondslag voor de boete aan te tonen, deze kunnen deze rapportages niet dienen tot basis van de boeteoplegging over de periode tot 11 november 2013.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellanten in de periode van

11 november 2013 tot en met 18 december 2013 de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van op geld waardeerbare activiteiten in verband met de handel in hennep. Appellanten hebben aangevoerd dat hen daarvan geen verwijt is te maken, doch dit niet aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.6.

Gelet op het voorgaande was het college in beginsel gehouden met toepassing van

artikel 18a van de WWB een bestuurlijke boete op te leggen voor zover appellanten over deze periode de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het college heeft, zoals uit 4.5 volgt, niet aangetoond dat appellanten de inlichtingenverplichting in de periode van 4 december 2012 tot 11 november 2013 hebben geschonden, zodat geen grondslag bestaat voor

boeteoplegging met betrekking tot die periode. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van het benadelingsbedrag en daarmee voor de hoogte van de boete.

4.7.

De rechtbank heeft wat is overwogen onder 4.6 bij het vaststellen van de hoogte van de boete niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een beslissing nemen over de boete en bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.8.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat de boete mede moet wordt bepaald aan de hand van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat sinds 1 januari 2017 luidt.

4.9.

Dat wat onder 4.8 is overwogen betekent dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene en de mate waarin de gedraging hem kan worden verweten. Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Het is aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

4.10.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten opzettelijk de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Ook de rechtbank is hiervan uitgegaan. Nu appellanten dit oordeel in hoger beroep hebben betwist, dient het college aan te tonen dat appellanten met opzet hebben gehandeld. Het college is hier niet in geslaagd. Door het standpunt in te nemen dat opzet in zijn algemeenheid is bewezen als strafbare activiteiten, waarvan mag worden aangenomen dat er geld mee verdiend kan worden, worden verzwegen, heeft het college een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip opzet zoals onder 4.9 weergegeven. Zie de uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1879. Het college heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van de onder 4.9 bedoelde situatie van normale verwijtbaarheid rechtvaardigen. De beroepsgrond van appellanten dat ten onrechte van opzet is uitgegaan bij het bepalen van de hoogte van de boete, slaagt dan ook.

4.11.

Appellanten hebben voorts gesteld dat geen sprake is verminderde verwijtbaarheid omdat zij zich op het standpunt stellen dat hen in het geheel geen verwijt is te maken. Appellanten hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat de schending van de inlichtingenverplichting hen in het geheel niet of in verminderde mate is te verwijten. Bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet daarom worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid, zodat in dit geval in beginsel een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Dit brengt voorts mee dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen bij de afstemming van de boete op de draagkracht van appellanten, de boete in een periode van twaalf maanden moet kunnen worden terugbetaald.

4.12.

Uitgaande van het in de aangevallen uitspraak berekende benadelingsbedrag, rekening houdend met de onder 4.5 vastgestelde periode van overtreding en naar rato van de duur van de onderscheiden perioden en de daarin geldende normbedragen, komt de Raad tot een benadelingsbedrag van € 1.161,61. Met toepassing van de onder 4.7 vermelde jurisprudentie, stelt de Raad de boete vast op 50% van het benadelingsbedrag, dus een bedrag van € 580,80. De draagkracht van appellanten staat dit toe, nu dit bedrag lager is dan twaalf maal 10% van de nu toepasselijke norm voor gehuwden. Deze boete is passend en geboden.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de boete heeft vastgesteld op

een bedrag van € 3.400,-;

- stelt de boete vast op een bedrag van € 580,80;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 juli 2015;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college het door appellanten betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

HD