Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
15/6132 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgindicatie, waarbij CIZ op goede gronden begeleiding individueel, klasse 2, heeft geïndiceerd. Na het terugbrengen van het aantal te werken uren van 36 naar 26, heeft nauwelijks uitval door ziekte heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden is er reden aan te nemen dat de door CIZ gestelde indicatie voor begeleiding individueel, klasse 2, voor appellant volstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6132 AWBZ, 15/6133 AWBZ

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
28 juli 2015, 14/4633 en 14/4602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft C. Dol hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

CIZ heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2016. Namens appellant zijn verschenen zijn gemachtigde en H. Zeeman‑Teeuwissen, Welpart Advies & Consultancy B.V. (Welpart). CIZ is vertegenwoordigd door mr. S. Kersjes‑van Bussel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bekend met een autisme spectrum stoornis en een beneden gemiddelde intelligentie. In verband met zijn beperkingen beschikte appellant over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellant woont zelfstandig met begeleiding en werkt op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) maximaal 28 uur per week bij een sociale werkplaats.

1.2.

Op 17 september 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om AWBZ-zorg. Bij besluit van 27 september 2013 (besluit 1) heeft CIZ appellant geïndiceerd voor zorgzwaartepakket (ZZP) VG03, klasse 7, voor de periode van 27 september 2013 tot en met 26 december 2013. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 1.

1.3.

Op 6 november 2013 heeft appellant een nieuwe aanvraag gedaan. Bij besluit van 10 december 2013 (besluit 2) heeft CIZ appellant geïndiceerd voor de functie begeleiding individueel, klasse 3, voor de periode van 10 december 2013 tot en met 9 december 2028. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 2.

1.4.

In bezwaar heeft medisch adviseur A.C.J. van der Kevie op 18 april 2014 een medisch advies uitgebracht. Volgens de medisch adviseur is sprake van een dominante grondslag verstandelijke handicap en een grondslag psychiatrie. Appellant heeft psychische functiestoornissen en beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid en sociale relaties. De medisch adviseur acht de beperkingen matig tot ernstig en passend en aannemelijk. Begeleiding is gericht op het ondersteunen van appellant zodat hij zelfstandig kan blijven wonen. Gezien het huidige functioneren van appellant is volgens de adviseur het ondersteunen bij het voeren van de regie en praktische vaardigheden op wekelijkse basis voldoende. Er is sprake van een chronische psychiatrische aandoening. Volgens de adviseur is niet te verwachten dat appellant dusdanig leerbaar is dat hij zonder begeleiding volledig zelfstandig kan leven.

1.5.

Bij besluit van 3 juni 2014 (bestreden besluit 1) heeft CIZ het bezwaar tegen besluit 1 onder verwijzing naar het medisch advies van 18 april 2014 ongegrond verklaard. CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in aanmerking komt voor een indicatie voor de functie begeleiding individueel. Bij appellant is sprake van matige of ernstige beperkingen bij het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine waardoor hij afhankelijk is van hulp. Er is sprake van matige beperkingen bij de sociale redzaamheid en het psychisch functioneren. CIZ acht de inzet van begeleiding noodzakelijk om een opname of verwaarlozing te voorkomen. Begeleiding individueel is aangewezen voor het bieden van structuur en regie bij praktische vaardigheden en/of handelingen. CIZ acht een wekelijks zorgmoment van 2 tot 3 uur nodig als basis. Dit valt binnen klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week). Binnen de bandbreedte van deze klasse is voldoende tijd voor een incidenteel extra noodzakelijk begeleidingsmoment. Er is geen aanleiding om begeleiding in groepsverband te indiceren, omdat appellant 28 uur per week in Wsw-verband werkt en daarmee wordt voorzien in een grove dag/weekstructuur. Volgens CIZ is appellant gezien zijn zorgbehoefte niet aangewezen op de functie verblijf. CIZ heeft de bij besluit 1 afgegeven indicatie voor ZZP VG03 in stand gelaten, omdat de geldigheidsduur van deze indicatie ten tijde van bestreden besluit 1 al was verstreken.

1.6.

Bij besluit van 3 juni 2014 (bestreden besluit 2) heeft CIZ het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het medisch advies van 18 april 2014 en met dezelfde motivering als in bestreden besluit 1, heeft CIZ bepaald dat appellant in aanmerking komt voor een indicatie voor begeleiding individueel, klasse 2. Omdat appellant aanspraak heeft op minder zorg dan bij besluit 2 is geïndiceerd, heeft CIZ een gewenningsperiode gehanteerd van zes weken en laat CIZ de nieuwe, lagere indicatie ingaan op 15 juli 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het medisch advies van 18 april 2014 zorgvuldig tot stand is gekomen en dat niet is gebleken dat appellant op objectieve gronden is aangewezen op meer begeleiding individueel dan overeenkomt met klasse 2.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij is aangewezen op begeleiding individueel, klasse 3. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een op zijn verzoek uitgebracht advies van 6 november 2015 van Welpart.

3.2.

Onder verwijzing naar een aanvullend medisch advies van 12 februari 2016 heeft CIZ zijn standpunt gehandhaafd dat voor appellant kan worden volstaan met een indicatie voor begeleiding individueel, klasse 2.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellant het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1 ingetrokken.

4.2.

Betreffende bestreden besluit 2 heeft appellant meegedeeld dat de indicatie voor begeleiding individueel, klasse 3, die loopt tot 15 juli 2014, niet in geschil is. Het hoger beroep heeft alleen nog betrekking op de indicatie vanaf 15 juli 2014, waarbij CIZ begeleiding individueel, klasse 2, heeft geïndiceerd.

4.3.

Ter onderbouwing van het standpunt dat appellant is aangewezen op begeleiding individueel, klasse 3, heeft appellant verwezen naar het rapport van 6 november 2015 van Welpart. Met betrekking tot de omvang van de voor appellant benodigde begeleiding heeft Zeeman‑Teeuwissen ter zitting toegelicht dat klasse 2 in beginsel volstaat voor appellant, maar dat hij meer zorg nodig heeft bij spanning en ziekte. Volgens Zeeman‑Teeuwissen is appellant gemiddeld één week per maand ziek ten gevolge van spanning. Hij blijft dan thuis van zijn werk bij de sociale werkplaats. Als begeleiding individueel naar klasse 3 wordt geïndiceerd, kan naast de reguliere begeleiding ook worden voorzien in de extra begeleiding die appellant nodig heeft bij spanning en ziekte.

4.4.

Deze verklaring over de omvang van het ziekteverzuim vindt echter geen bevestiging in het rapport van 6 november 2015. Het tot de stukken behorende Behandelplan van begeleider C. Wolfkamp, overgelegd bij de hoorzitting, vermeldt dat na het terugbrengen van het aantal te werken uren van 36 naar 26, nauwelijks uitval door ziekte heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden is er reden aan te nemen dat de door CIZ gestelde indicatie voor begeleiding individueel, klasse 2, voor appellant volstaat.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.S.E.S. Umans

SS