Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16-5903 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet redelijkerwijs te twijfelen aan ontvangst van besluit. Terecht niet-ontvankelijk verklaard bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5903 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 augustus 2016, 16/2873 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Bhulai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bhulai. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college verleende appellant bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 25 augustus 2015 heeft het college de betaling van de bijstand geblokkeerd met ingang van 1 september 2015. Bij besluit van 8 september 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 1 september 2015. Bij besluit van

22 september 2015 heeft het college de aan appellant verleende bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 1 september 2015. Bij besluit van 30 september 2015 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van

artikel 54, derde lid, van de PW herzien over de periode van 24 augustus 2015 tot en met

31 augustus 2015 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 236,-. Aan laatst vermeld besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres.

1.2.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

25 augustus 2015, 8 september 2015 en 30 september 2015 en in dat kader de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Onder de door het college in het kader van die procedure op 2 december 2015 overgelegde stukken bevond zich het besluit van 22 september 2015. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 8 december 2015 het verzoek afgewezen.

1.3.

Appellant heeft op 9 december 2015 bezwaar ingediend tegen het besluit van

22 september 2015.

1.4.

Bij besluit van 28 december 2015 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn.

1.5.

Bij uitspraak van 9 februari 2016 (kenmerk 16/215 en 16/181) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van

28 december 2015 met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het college niet toereikend had gemotiveerd dat het besluit van 22 september 2015 op

23 september 2015 was verzonden, zodat de termijnoverschrijding van het bezwaar verschoonbaar moet worden geacht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het bezwaar ontvankelijk was en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

1.6.

Bij besluit van 7 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college ter uitvoering van voormelde uitspraak opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2015 beslist. Hierbij heeft het college, met verwijzing naar stukken ter onderbouwing van de verzending van dat besluit op 23 september 2015, opnieuw het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college ten onrechte in afwijking van de opdracht van de rechtbank het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt dat hij van het besluit van

22 september 2015 eerst op 2 december 2015 heeft kennisgenomen, zodat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat het college, door bij het bestreden besluit het bezwaar

niet-ontvankelijk te verklaren, geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de voorzieningenrechter, gegeven bij de uitspraak van 9 februari 2016, om met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2015 (besluit) te beslissen. Het college had immers geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 9 februari 2016. Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2.

Wat onder 4.1. is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom eveneens voor vernietiging in aanmerking.

4.3.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Met het oog op een finale geschillenbeslechting zal de Raad doen wat de rechtbank zou behoren te doen en ambtshalve beoordelen of het bezwaar van appellant tegen het besluit van

22 september 2015 ontvankelijk is. In dat kader is het volgende van betekenis.

4.4.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5.

Niet meer in geschil is dat het college het besluit op 23 september 2015 op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt door toezending ervan aan het adres van appellant. Dit brengt mee dat de bezwaartermijn op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op 24 september 2015 is aangevangen.

4.6.

De stelling van appellant dat hij het besluit niet langs die weg heeft ontvangen dient beoordeeld te worden in de sleutel van artikel 6:11 van de Awb. Termijnoverschrijding kan onder bepaalde omstandigheden verschoonbaar zijn als het besluit na verzending niet is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt echter het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Appellant heeft allereerst zelf naar voren gebracht dat hij van het college afkomstige post doorgaans zonder problemen ontvangt, zodat in beginsel van voormeld vermoeden kan worden uitgegaan.

4.7.

Het ligt vervolgens op de weg van appellant als geadresseerde om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Appellant is er niet in geslaagd om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Dat de ontvangst van het besluit op zijn adres redelijkerwijs kan worden betwijfeld heeft hij niet afdoende onderbouwd.

4.7.1.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit het enkele feit dat hij pas op 9 december 2015 daartegen bezwaar heeft ingediend, terwijl dit besluit voor hem van groot belang was, volgt dat hij pas op 2 december 2015 heeft kennisgenomen van het besluit. Verder heeft hij erop gewezen dat hij op 29 september 2015 met onder meer een medewerker van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag een gesprek heeft gevoerd. Appellant heeft aangevoerd dat tijdens dat gesprek niet is besproken dat al op 22 september 2015 een besluit was genomen. Het had volgens hem op de weg van die medewerker gelegen om appellant hiervan op de hoogte te stellen.

4.7.2.

Deze gronden slagen niet. Het enkele feit dat appellant eerst na afloop van de termijn bezwaar heeft ingediend, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voorts geeft ook het gesprek op 29 september 2015 daartoe onvoldoende grond. Daargelaten dat het gesprek, blijkens het daarvan opgemaakte rapport van 30 september 2015, betrekking had op zijn woonsituatie en het in verband daarmee te nemen besluit tot herziening van de bijstand, is uit de stelling van appellant slechts af te leiden dat appellant op die datum nog geen kennis had genomen van het besluit. Dat betekent niet dat hij dat besluit niet op zijn adres had ontvangen. Het ligt op de weg van de ontvanger om zorg te dragen voor een adequate postbehandeling. De door appellant gestelde omstandigheid dat hij niet, althans niet direct, heeft kennisgenomen van het besluit komt dan ook, gelet op de adequate verzending ervan, voor zijn rekening.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs niet kan worden getwijfeld aan de ontvangst van het besluit van 22 september 2015 dat op 23 september 2015 is verzonden. Dit brengt mee dat de beroepsgrond dat appellant zo spoedig mogelijk nadat hij op 2 december 2015 van het besluit had kennisgenomen bezwaar heeft ingediend geen bespreking behoeft.

4.9.

Wat onder 4.4 tot en met 4.8 is overwogen leidt tot de conclusie dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Op grond hiervan kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit 7 maart 2016 in stand blijven.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 maart 2016 en laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand;

- veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan betrokkene het door betrokkene betaalde griffierecht in beroep

en in hoger beroep, in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

HD