Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16-5207 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4640
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7957
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op bankrekening gestorte bedragen zijn inkomsten. Herziening en terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5207 PW, 17/474 PW

Datum uitspraak: 18 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2016, 16/581 (aangevallen uitspraak 1), en van 12 december 2016, 16/5238 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Joosen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/5207 PW en 17/474 PW heeft gevoegd plaatsgehad op 6 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Joosen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.G.H. Wagemakers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 28 september 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Het college heeft in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek onder meer afschriften van bankrekeningnummer eindigend op [nummer] (bankrekening) van appellant opgevraagd. Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat appellant over de periode van 9 april 2014 tot en met 10 maart 2015 kasstortingen op zijn bankrekening heeft ontvangen tot een bedrag van € 4.320,-, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het college. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2015.

1.3.

Bij besluit van 24 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van

9 april 2014 tot en met 10 maart 2015 herzien. Bij besluit van 8 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 april 2014 tot en met 10 maart 2015 tot een bedrag van € 4.320,- van appellant teruggevorderd.

1.4.

Aan de besluitvorming zoals vermeld in 1.3 heeft het college ten grondslag gelegd dat de in de periode van 9 april 2014 tot en met 10 maart 2015 gedane kasstortingen als middelen op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW zijn aangemerkt. Als gevolg hiervan is over deze periode ten onrechte bijstand aan appellant verstrekt. Het college is gehouden om de gemaakte kosten van bijstand over deze periode terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen respectievelijk de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In de hoger beroepen heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening

4.1.

In dit geval loopt de te beoordelen periode van 9 april 2014 tot en met 10 maart 2015 (de te beoordelen periode). Tussen partijen is niet in geschil dat in de te beoordelen periode kasstortingen tot een bedrag van € 4.320,- hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant. Ook niet in geschil is dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij destijds een aantal openstaande rekeningen en achterstanden had opgebouwd en dat hij zelf familieleden en kennissen had ingeschakeld die ter aflossing van zijn schulden geldbedragen in de vorm van renteloze leningen op zijn bankrekening hebben gestort. Appellant heeft met deze geldschieters afspraken gemaakt over het aflossen van die leningen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet vrijelijk over de kasstortingen op zijn bankrekening kon beschikken, aangezien hij de gelden van zijn familieleden en kennissen telkens direct heeft aangewend om zijn schuldeisers te betalen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.4.

De omstandigheid dat appellant met de gestorte bedragen schulden heeft afbetaald, bevestigt dat hij over deze middelen kon beschikken. Ook in zoverre faalt het betoog van appellant.

Terugvordering

4.5.

De beroepsgrond dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan niet slagen. Voor toetsing van het terugvorderingsbesluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat, gelet op het verplichtende karakter van het besluit tot terugvordering op grond van 58, eerste lid, van de PW, geen ruimte.

4.6.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hij heeft nu tweemaal een betalingsverplichting geschonden, namelijk bij zijn familieleden en kennissen vanwege de leningen en bij het college vanwege het herzienings- en terugvorderingsbesluit. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.7.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door appellant genoemde omstandigheden kunnen niet als iets bijzonders en uitzonderlijks worden aangemerkt. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft appellant als schuldenaar de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD