Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
15/8146 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Schending inlichtingenplicht door werkzaamheden en inkomsten niet mee te delen. Grove schuld niet aangetoond. Normale verwijtbaarheid. Appellanten hebben niet onderbouwd dat zij boete niet kunnen voldoen in 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8146 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2015, 15/323 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeenten (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en een reactie gegeven op vragen van de Raad.

Appellanten hebben een reactie gegeven op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Namens appellanten is verschenen mr. Hest. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 5 oktober 2011 bijstand naar de norm voor gehuwden, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante schoonmaakwerkzaamheden verricht, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek hebben medewerkers van de afdeling handhaving van de Afdeling Werk en Inkomen van het Samenwerkingsverband van A2-gemeenten waarnemingen verricht, een getuige gehoord en appellante gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 december 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 30 juni 2014 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2012 tot en met

14 november 2013 te herzien en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten tot een bedrag van € 2.952,44 van appellanten terug te vorderen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante in deze periode inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden heeft ontvangen welke appellanten niet aan het dagelijks bestuur hebben doorgegeven.

1.4.

Bij besluit van 31 juli 2014 heeft het dagelijks bestuur aan appellanten een boete opgelegd van € 2.250,-

1.5.

Bij besluit van 18 december 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 30 juni 2014 en 31 juli 2014 gegrond verklaard, in die zin dat de herziening is ingeperkt met twee dagen, dat de terugvordering dienovereenkomstig is verlaagd met € 60,- en dat de boete is bepaald op € 495,-. Aan appellanten zijn de kosten van het bezwaar vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, dat uitsluitend gericht was tegen de (hoogte) van de boete, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 495,-, de boete vastgesteld op

€ 371,25 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de boete over de periode voorafgaand aan de waarnemingen uitsluitend is gebaseerd op een verklaring van een derde, de werkgeefster van appellante, wat een onvoldoende basis vormt voor het opleggen van de boete. Verder hebben zij aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, geen sprake is van grove schuld en dat de boete niet op de draagkracht van appellanten is afgestemd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, ook los van de door appellante zelf afgelegde verklaring op 14 november 2013, de overige onderzoeksresultaten een voldoende basis vormen voor de conclusie dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. De bewoonster van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] (werkgeefster) heeft verklaard dat de vrouw die op donderdag met een sleutel haar woning binnengaat appellante is, dat appellante sinds januari 2012 drie uur per week haar huis schoonmaakt tegen betaling van € 30,- per keer, eerst op maandag, maar laatstelijk op donderdag van 8.30 tot 11.30 uur. Appellante doet dit elke week behalve in de vakanties. Dat de waarnemingen hebben plaatsgevonden in de periode van 28 augustus 2013 tot en met

14 november 2013 maakt niet dat voor de periode voorafgaand aan de waarnemingen de verklaring van de werkgeefster een onvoldoende basis vormt voor de conclusie dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Deze verklaring is voor die conclusie op zichzelf reeds voldoende, maar ligt bovendien geheel in lijn met de niet betwiste waarnemingen waaruit onder meer is gebleken dat appellante op donderdagen met de fiets naar de woning aan het adres [adres] ging, dat haar fiets voor die woning stond, dat zij die woning binnenging, soms met haar eigen sleutel, en deze woning na ongeveer tweeënhalf uur weer verliet. Ten slotte wordt nog gewezen op het door appellante ingevulde reactieformulier van 22 juli 2014 naar aanleiding van het voornemen van het dagelijks bestuur aan appellanten een boete op te leggen. Op de vraag of appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden zoals beschreven in het rapport van 30 december 2013 heeft zij ontkennend geantwoord, maar daarbij de volgende toelichting gegeven: “niet helemaal, 1 jaar, maar ik weet het niet exact.”

4.2.

De schending van de inlichtingenverplichting kan appellanten worden verweten. Appellanten hebben immers nagelaten het dagelijks bestuur direct en uit eigen beweging te informeren over de door appellante verrichte werkzaamheden en de inkomsten daaruit. Gelet hierop was het dagelijks bestuur in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen.

4.3.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat de boete mede moet worden bepaald aan de hand van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat sinds 1 januari 2017 luidt.

4.4.

Uit de in 4.3 genoemde rechtspraak en het genoemde Boetebesluit volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene en de mate waarin de gedraging hem kan worden verweten. Een beboetbare gedraging leidt bij gewone verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Het is aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

4.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van grove schuld bij appellanten. Geen aanwijzingen zijn echter in het dossier aanwezig dat er bij appellanten sprake is van een aan opzet grenzende nalatigheid. De enkele omstandigheid dat appellanten hadden moeten beseffen dat zij de inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden hadden moeten opgeven omdat zij wisten dat zij maar tot ten hoogste € 90,- per maand mochten bijverdienen, is onvoldoende om grove schuld aan te nemen. Verder zijn er geen omstandigheden die een zwaardere verwijtbaarheid ten opzichte van de onder 4.4 bedoelde situatie van gewone verwijtbaarheid rechtvaardigen. De beroepsgrond dat appellanten ten onrechte grove schuld ten aanzien van de overtreding is verweten, slaagt dan ook. Appellanten hebben gesteld dat de overtreding hun in verminderde mate is te verwijten gelet op de gezondheidstoestand van appellanten. De door appellanten overgelegde medische gegevens bieden voor deze grond echter geen steun zodat deze niet slaagt. Bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet daarom worden uitgegaan van gewone verwijtbaarheid, zodat in dit geval in beginsel een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Dit komt, uitgaande van het in de aangevallen uitspraak vermelde benadelingsbedrag, overeen met een bedrag van € 247,50.

4.6.

Uit de onder 4.3 genoemde rechtspraak en het genoemde Boetebesluit volgt voorts dat de financiële omstandigheden van de betrokkene aanleiding kunnen geven de vast te stellen boete te matigen. Een bestuursorgaan dient, indien het een bestuurlijke boete oplegt, rekening te houden met de draagkracht van de overtreder en daarbij acht te slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden.

4.7.

Appellanten hebben gesteld dat het dagelijks bestuur de boete ten onrechte niet heeft afgestemd op hun draagkracht. Reeds omdat appellanten deze stelling niet hebben onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens, kan deze niet slagen. Gelet op de

in 4.3 genoemde rechtspraak ter zake, zijn appellanten in staat de boete binnen 12 maanden te voldoen. Voor een verdere matiging van de boete is geen aanleiding.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 vloeit voort dat een boete van € 247,50 passend en geboden is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom, voor zover het de hoogte van de boete betreft, te worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van

artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de boete vaststellen op

€ 247,50.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de hoogte van de boete is bepaald op

€ 371,25;

- herroept het besluit van 31 juli 2014 voor zover het ziet op de hoogte van de boete;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 247,50 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het besluit van 18 december 2014;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 990,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD