Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16/6678 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6569, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellen vermogen bij een schuld op nihil. Verrekening onjuist vanaf datum waarop draagkracht niet juist is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/6678 PW

Datum uitspraak: 8 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 oktober 2016, 16/1447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOPw

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roozemond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 30 november 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 6 maart 2015 heeft het college de bijstand met ingang van

30 november 2012 ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting en bij besluit van 12 maart 2015 de kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van

€ 33.154,68.

1.2.

Bij besluit van 14 september 2015 (besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, met ingang van 23 maart 2015 aan appellant op zijn verzoek opnieuw bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, nu op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft daarbij het vermogen van appellant vastgesteld op € 44.588,29 negatief en het restant vrij te laten vermogen op € 5.895,-.

1.3.

Bij besluit van 15 september 2015 (besluit 2) heeft het college meegedeeld dat met ingang van 1 september 2015 maandelijks € 96,26 op de bijstand zal worden ingehouden ten behoeve van de aflossing van de schuld van appellant aan de gemeente Tilburg ter hoogte van € 33.154,68.

1.4.

Bij besluit van 18 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het restant vrij te laten vermogen terecht is vastgesteld op een bedrag van € 5.895,- en dat bij de invordering op juiste wijze rekening is gehouden met de beslagvrije voet.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de vaststelling van de beslagvrije voet, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de vaststelling van de beslagvrije voet ongegrond is verklaard, bepaald dat het college per 7 december 2015 niet langer tot verrekening mag overgaan, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeeltes van het bestreden besluit, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 496,-.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de vaststelling van zijn vermogen en het vrij te laten vermogen betreft, voor zover het de datum betreft met ingang waarvan het college de schuld niet meer mocht verrekenen met de bijstand en voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen in de kosten die appellant in bezwaar heeft moeten maken. Hij stelt dat hij meer schulden had dan het college heeft aangenomen en dat het college daarvan van meet af aan op de hoogte was. Verder meent hij dat de rechtbank proceskosten voor twee punten had moeten toekennen in verband met de ingediende bezwaarschriften.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vermogen

4.1.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de PW heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Tot die middelen behoort onder meer het vermogen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de PW, te weten de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de PW. Van het vastgestelde vermogen blijft ingevolge artikel 34, tweede lid, onder b van de PW bij de aanvang van de bijstand een bepaald bedrag buiten beschouwing (vrij te laten vermogen), namelijk het bedrag dat de artikel 34, derde lid van de PW bedoelde grens niet overschrijdt (vermogensgrens).

4.2.

Met toepassing van de in 4.1 genoemde bepalingen van de PW heeft het college bij de aanvraag het vrij te laten vermogen vastgesteld. Niet in geschil is dat het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstandsverlening negatief was. Voor de bijstandsverlening wordt zijn vermogen daarom op nihil gesteld. Bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen valt de ruimte voor vermogensaanwas (het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) samen met de voor appellant geldende vermogensgrens, zoals opgenomen in artikel 34, derde lid onder a, van de PW. Anders dan appellant meent, is dan ook de juiste omvang van zijn vermogen, nu dit al door het college op een negatief bedrag is vastgesteld, niet van betekenis voor de berekening van het bedrag van het restant vrij te laten vermogen.

4.3.

Het college heeft aldus het voor appellant vrij te laten vermogen, in overeenstemming met wat onder 4.2 is overwogen, vastgesteld op het maximum bedrag, zijnde het bedrag als genoemd in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de PW. De beroepsgrond die hierop ziet slaagt daarom niet.

Verrekening

4.4.

Niet meer in geschil is dat de verrekening van de schuld van appellant met de bijstand vanaf 1 september 2015 niet is te verenigen met zijn draagkracht, omdat daarmee de voor hem op grond van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldende beslagvrije voet is overschreden. Hieruit volgt dat besluit 2 in rechte geen stand houdt. Het college heeft ter zitting van de Raad meegedeeld, dat de bijstand die over de periode vanaf

7 december 2015 ten onrechte is verrekend al is nabetaald en dat thans de bijstand die over de periode van 1 september 2015 tot 7 december 2015 is verrekend eveneens zal worden nabetaald tot een bedrag van € 307,41.

4.5.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de draagkracht van appellant al vanaf 1 september 2015 in de weg stond aan verrekening. De beroepsgrond die hierop ziet slaagt dan ook. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dit besluit 2 betreft. De aangevallen uitspraak zal eveneens worden vernietigd voor zover deze het bestreden besluit inzake

besluit 2 betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover het besluit 2 betreft en besluit 2 geheel herroepen.

Bezwaarkosten

4.6.

Niet meer in geschil is dat de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit met betrekking tot besluit 2 meebrengt dat het college de kosten die appellant in bezwaar heeft moeten maken voor de kosten van rechtsbijstand had moeten vergoeden. Deze kosten zijn, zoals niet in geschil is, te begroten op € 990,-.

4.7.

Wat onder 4.6. is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond slaagt. Ook in zoverre zal de aangevallen uitspraak daarom worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij geen vergoeding is toegekend voor in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand en het college veroordelen tot vergoeding van die kosten tot een bedrag van € 990,-.

Proceskosten

5. Wat hiervoor is overwogen geeft aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, die worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten het besluit van

18 februari 2016 ten aanzien van het besluit van 15 september 2015 te vernietigen en voor

zover daarbij is bepaald dat het college vanaf 7 december 2015 niet langer tot verrekening

mocht overgaan en voor zover daarbij is nagelaten het college te veroordelen tot de door

appellant in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand;

- vernietigt het besluit van 18 februari 2016 voor zover daarbij het besluit van 15 september

2015 is gehandhaafd en voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding in bezwaar is

toegekend;

- herroept het besluit van 15 september 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde deel van het besluit van 18 februari 2016;

- bepaalt dat het college aan appellant € 990,- betaalt voor in bezwaar gemaakte kosten van

rechtsbijstand en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van

het besluit van 18 februari 2016;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en F. Hoogendijk en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C.A.E. Bon

HD