Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
16-6975 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat in bezwaar wordt verwezen naar brief over voornemen tot boete oplegging en niet naar herzienings- en terugvorderingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6975 PW

Datum uitspraak: 18 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

17 oktober 2016, 16/1153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van ISD Noordenkwartier (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 juni 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 30 september 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.

1.2.

Uit een signaaloverzicht is gebleken dat appellante per 1 augustus 2014 een dienstverband heeft met [naam werkgever] en dat zij de inkomsten over augustus 2014 niet heeft gemeld aan het dagelijks bestuur. Bij controle van Suwinet is gebleken dat appellante over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 ook werkzaamheden heeft verricht voor een uitzendbureau. De hieruit verkregen inkomsten heeft appellante evenmin aan het dagelijks bestuur gemeld.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een brutobedrag van € 2.075,70 van appellante teruggevorderd. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de in 1.2 genoemde inkomsten.

1.4.

Bij brief van 15 juli 2015 heeft het dagelijks bestuur appellante op de hoogte gesteld van het voornemen haar een boete op te leggen, omdat zij zich niet aan de inlichtingenverplichting heeft gehouden. Appellante is de gelegenheid geboden een zienswijze te geven in verband met dit voornemen.

1.5.

Bij brief van 20 juli 2015 heeft R. Kuper namens appellante bezwaar gemaakt tegen het voornemen tot het opleggen van een boete. Het dagelijks bestuur heeft bij brief van 21 juli 2015 gereageerd op deze brief.

1.6.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het dagelijks bestuur appellante een boete van € 650,- opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.

1.7.

Appellante heeft op 2 september 2015 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

7 juli 2015 en 19 augustus 2015. Voor wat betreft de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2015 heeft appellante verwezen naar de brief van 20 juli 2015.

1.8.

Bij besluit van 4 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2015 is ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij appellante als eiseres en het college als verweerder is aangeduid:

“Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering terecht niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 20 juli 2015 is, zoals daarin ook door de heer Kuper is vermeld, gericht tegen het voornemen tot het opleggen van een boete. De rechtbank is van oordeel dat de brief geen concrete aanknopingspunten bevat dat deze ook als een bezwaar gericht tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering moet worden aangemerkt. De enkele zin “Mag ik u dringend doch beleefd verzoeken uw stellingname te herzien, zo mogelijk de terugvordering te verlagen en de maandelijkse inhouding te halveren” is hiertoe, gelet op de inhoud van de brief en de context waarbinnen de zin is geschreven, onvoldoende. Voorts heeft verweerder eiseres op 21 juli 2016 (lees: 2015) een brief geschreven en haar naar aanleiding van voormelde geciteerde zin erop gewezen dat eiseres in het geval zij het niet eens is met de terugvordering tegen het terugvorderingsbesluit bezwaar dient aan te tekenen. Deze brief moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als extra verduidelijking van de mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering in aanvulling op de bezwaarclausule die al stond vermeld onder het besluit tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering.”

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft het volgende aangevoerd. Bij brief van 20 juli 2015 heeft zij tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2015. In deze brief heeft appellante letterlijk gevraagd: “uw stellingname te herzien, zo mogelijk de terugvordering te verlagen.” Dat deze brief een reactie was op het voornemen een boete op te leggen, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat voormelde zinsnede onvoldoende is. Omdat de boete voortborduurt op het herzienings- en terugvorderingsbesluit dient ook het boetebesluit vernietigd te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de brief van 20 juli 2015 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 7 juli 2015. Het boetebesluit valt buiten de omvang van het geding en kan dus niet beoordeeld worden.

4.2.

Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht dient een bezwaarschrift ten minste te bevatten een aanduiding van het besluit waartegen het bezwaar zich richt en de gronden van het bezwaar.

4.3.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat het college met de brief van 21 juli 2015 niet alleen de juiste weg om bezwaar te maken heeft aangegeven, maar ook onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt dat de brief van 20 juli 2015 niet werd opgevat als bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2015. Appellante kon niet menen dat zij met de brief van 20 juli 2015 wel tijdig bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2015 niet eerder dan op 2 september 2015, dus te laat, is binnengekomen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD