Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
16/5758 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift. De identiteit van betrokkene is niet via DigiD komen vast te staan, omdat betrokkene niet via het digitale bezwaarformulier bezwaar heeft gemaakt maar via een klachtformulier, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van DigiD. De identiteit van betrokkene was daardoor niet via die weg komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/5758 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 augustus 2016, 16/2431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 4 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.D.M. Klein Selle, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Voor betrokkene is verschenen mr. Klein Selle.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 5 november 2015 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat de

WW-uitkering vanaf 16 februari 2015 is herzien. Tevens is daarin een besluit tot terugvordering van die uitkering vervat.

1.2.

Bij besluit van 2 februari 2016 is aan betrokkene een boete opgelegd. Dit besluit is verzonden naar het laatstelijk bekende adres, [adres] in [woonplaats] .

1.3.

Bij digitaal klachtenformulier heeft betrokkene op 3 februari 2016 een klacht dan wel bezwaar ingediend tegen de onder 1.1 en 1.2 vermelde besluiten.

1.4.

Bij emailbericht van 25 februari 2016 heeft appellant betrokkene om verduidelijking gevraagd naar de bedoeling van het klachtenformulier.

1.5.

In reactie hierop heeft betrokkene op 2 maart 2016 meegedeeld dat zij bezwaar wil maken tegen de onder 1.1. en 1.2 vermelde besluiten. Betrokkene stelt dat zij het onder 1.1 genoemde besluit nooit ontvangen heeft. Zij stelt in april 2015 haar huis te hebben verlaten en geen vaste woon- en verblijfplaats te hebben. Betrokkene heeft appellant verzocht om de correspondentie via haar mailadres te laten verlopen.

1.6.

Bij brief van 3 maart 2016, die ook gescand als bijlage via de email aan betrokkene is toegezonden, is betrokkene meegedeeld dat het bezwaarschrift (nog) niet in behandeling wordt genomen, omdat het niet is ondertekend. Aan betrokkene is tot en met 31 maart 2016 tijd gegeven om daarvoor zorg te dragen. Tevens is betrokkene erop gewezen dat bij het uitblijven van een tijdige reactie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

1.7.

Bij besluit van 7 april 2016 heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat indien online bezwaar wordt gemaakt dit met DigiD gebeurt, waardoor de identiteit op die wijze gecontroleerd kan worden. Verder heeft betrokkene aangevoerd dat zij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en zij de stukken noch op een adres, noch per e-mail kon ontvangen. Betrokkene heeft gesteld dat zij, omdat zij niet altijd gebruik kon en kan maken van internet, niet altijd op tijd heeft kunnen reageren.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven binnen een gestelde termijn opnieuw op bezwaar te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het niet herstellen van het verzuim verschoonbaar is. Het had volgens de rechtbank op de weg van appellant gelegen om betrokkene uit te nodigen op kantoor om daar de handtekening te plaatsen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. De rechtbank heeft ten onrechte de term “verschoonbaarheid” gebruikt, welk begrip doorgaans is voorbehouden aan de beoordeling van de vraag of een termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. De bevoegdheid van het bestuursorgaan om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een discretionaire bevoegdheid, die door de rechter marginaal wordt getoetst. Volgens appellant heeft hij in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen. De situatie waarin volgens rechtspraak een niet-ontvankelijk-verklaring achterwege moet blijven, namelijk indien de identiteit van een betrokkene op een andere wijze achterhaald kan worden, was volgens appellant in dit geval niet van toepassing omdat het bezwaarschrift via een klachtformulier was ingediend, waarvoor een DigiD niet vereist is. Verder heeft betrokkene gebruik gemaakt van gegevens van een adres waarvan zij zelf zei daar niet woonachtig te zijn. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte de verantwoordelijkheid die rust op betrokkene bij appellant gelegd. Ten slotte heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geen overweging gewijd aan de (niet)-tijdigheid van het bezwaar.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en adres van de indiener. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

Vaststaat dat betrokkene haar bezwaarschrift niet heeft ondertekend als voorgeschreven in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Voorts staat vast dat betrokkene dit verzuim niet binnen de door appellant daartoe gestelde termijn van vier weken heeft hersteld en dat binnen die termijn evenmin om uitstel van herstel van dit verzuim is verzocht.

4.3

Beoordeeld moet worden of appellant in redelijkheid van zijn bevoegdheid om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren gebruik heeft kunnen maken, welke vraag bevestigend beantwoord wordt.

4.4.

Allereerst wordt overwogen dat niet gebleken is dat betrokkene niet in staat is geweest het verzuim te herstellen door het bezwaarschrift te ondertekenen.

4.5.

Verder wordt overwogen dat de communicatie met betrokkene moeizaam was. Betrokkene had zelf te kennen gegeven niet meer op het door haar gebruikte adres woonachtig te zijn, om welke reden zij appellant in haar e-mail van 2 maart 2016 had verzocht om de correspondentie via haar e-mailadres te laten verlopen. Dat heeft appellant gedaan. Naast de toezending naar het laatst bekende adres heeft appellant de (verzuim)brief gescand als bijlagen bij het e-mailbericht van 3 maart 2016 aan betrokkene toegezonden. Het ligt op de weg van betrokkene om haar e-mail te checken, te meer daar zij op 2 maart 2016 nog via de e-mail contact had gehad met appellant over de procedure. Dat raadpleging van de e-mail vanaf 3 maart 2016 niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat betrokkene, als gesteld in het beroepschrift, niet altijd over internet beschikte, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Verder wordt overwogen dat appellant betrokkene voldoende tijd heeft gegeven om het vastgestelde verzuim te herstellen. Een termijn van vier weken wordt voldoende geacht om de e-mail te bekijken en richting appellant actie te ondernemen.

4.6.

Tevens wordt geoordeeld dat ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is ingesteld. Uit rechtspraak van de Raad volgt dat een niet-ontvankelijk-verklaring van het bezwaarschrift achterwege blijft, indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit niet hoeft te worden getwijfeld. Appellant heeft in dat verband terecht aangevoerd dat

– anders dan betrokkene heeft gesteld – haar identiteit niet via DigiD is komen vast te staan, omdat betrokkene niet via het digitale bezwaarformulier bezwaar heeft gemaakt maar via een klachtformulier, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van DigiD. De identiteit van betrokkene was daardoor niet via die weg komen vast te staan.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellant in redelijkheid tot zijn besluit om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren heeft kunnen komen. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 april 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en L. Koper en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB