Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
15-1677 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Weigering AOR-toekenningen. Voor het op voorhand uitsluiten van aanvragers vanwege het ten tijde van de aanvraag woonachtig zijn in Indonesië, valt geen grondslag in het recht te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1677 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen partijen en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te Indonesië (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 3 augustus 2017

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 februari 2015, kenmerk BZ01811960 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de nationaliteit van appellante.

Op 20 maart 2017 heeft verweerder de Raad in kennis gesteld van de resultaten van het bedoelde onderzoek.

De Raad heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 29 juni 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is woonachtig in Indonesië. Zij heeft op 25 juni 2014 een aanvraag om toekenningen op grond van de AOR ingediend. Bij besluit van 4 juli 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing is als volgt toegelicht. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorzieningen op grond van de AOR is dat de aanvrager op de datum van de aanvraag niet woonachtig is binnen het grondgebied van de republiek Indonesië. Uit de aanvraag van appellante blijkt dat zij woonachtig is te [plaatsnaam] , Indonesië. Daarom is verweerder genoodzaakt de aanvraag af te wijzen.

1.2.

Appellante heeft tegen het besluit van 4 juli 2014 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellante stelt zich op het standpunt dat er geen grond is om haar vanwege haar woonplaats de voorzieningen op grond van de AOR te onthouden.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit het ter zake door verweerder verrichte onderzoek is gebleken dat appellante beschikt over de Nederlandse nationaliteit.

3.2.

Het op de datum van de aanvraag wonen buiten de republiek Indonesië is geen voorwaarde om voor toekenningen krachtens de AOR in aanmerking te komen. Nergens in de AOR is zo’n voorwaarde terug te vinden. Wie ten tijde van zijn aanvraag woonachtig is in Indonesië, kan dus niet op die grond van toepassing van de AOR worden uitgesloten. Anders dan zou kunnen worden opgemaakt uit het besluit van 4 juli 2014, onderkent verweerder dat. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat aanvragers die ten tijde van hun aanvraag in de republiek Indonesië wonen, moeten trachten hun eventuele AOR-aanspraken in dat land te verwezenlijken.

3.3.

Verweerder beroept zich in dit verband op de zogeheten Aide Memoire van 12 januari 1954, waarbij is overeengekomen dat Nederland met ingang van 1 februari 1954 de uitbetaling aan rechthebbenden met de Nederlandse nationaliteit van reeds toegekende uitkeringen op zich neemt. Dit betrof ook uitbetalingen aan rechthebbenden in Indonesië. Indonesië zou volgens deze overeenkomst alle overige verplichtingen, dat wil zeggen de behandeling van nieuwe aanvragen, op zich nemen. Daar is het evenwel niet of nauwelijks meer van gekomen, want na de instelling van de CAOR bij besluit van 3 juni 1954 heeft Nederland ook de behandeling van nieuwe aanvragen aan zich getrokken, uitgezonderd dus aanvragen van personen die woonachtig zijn in Indonesië. Artikel 1, aanhef en onder a, van het genoemde instellingsbesluit, bedeelt de uitvoering van de AOR voor zover het gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit volledig aan de CAOR toe en rekent het “nemen van beschikkingen” uitdrukkelijk tot haar taak.

3.4.

Het overwogene onder 3.2 en 3.3 kan tot geen andere conclusie leiden dan dat er voor het op voorhand uitsluiten van aanvragers vanwege het ten tijde van de aanvraag woonachtig zijn in Indonesië, geen grondslag in het recht valt te vinden. Die grondslag is in de eerste plaats niet gelegen in de Aide Memoire van 12 januari 1954, die immers mede betrekking had op personen, woonachtig in de republiek Indonesië. Zij is evenmin te vinden in het besluit tot instelling van de CAOR, waarin niets staat over het uitsluiten van aanvragers die woonachtig zijn in Indonesië. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft willen stellen dat Nederland strikt genomen tot op de dag van vandaag überhaupt niet verplicht is om nieuwe aanvragen krachtens de AOR in behandeling te nemen, en dat daarom zo’n verplichting ook niet kan worden aangenomen ten aanzien van aanvragers die ten tijde van hun aanvraag in Indonesië wonen, kan dat betoog niet slagen. De bestaande uitvoeringspraktijk houdt in dat de behandeling van nieuwe aanvragen, afgezien van de aanvragen uit Indonesië, wel degelijk door Nederland ter hand wordt genomen. Het afwijzen van aanvragen op de enkele grond dat de aanvrager op het moment van de aanvraag in Indonesië woont komt, als dat al niet in strijd met de regelgeving is te achten, op zijn minst in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

3.5.

Het betoog van appellante slaagt dus. Het beroep is gegrond. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen. Nu de behandeling van de aanvraag, met inbegrip van de voor besluitvorming benodigde onderzoeken, nog volledig gestalte moet krijgen, ligt definitieve geschilbeslechting niet binnen het bereik van de Raad. De Raad zal daarom verweerder opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

4. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.1.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. Verder bedraagt de schadevergoeding € 500,- per half jaar overschrijding.

4.2.

Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift op 7 augustus 2014 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure bijna drie jaar geduurd. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met (afgerond) twaalf maanden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van deze overschrijding is, afgerond, een maand toe te rekenen aan de bestuurlijke fase. Voor het overige is de overschrijding toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder respectievelijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:292). Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 83,- (1/12 deel van

€ 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 917,- (11/12 deel van € 1.000,-).

5. Het voorgaande geeft aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van appellante, tot een bedrag van € 990,- in bezwaar en een bedrag van € 990,- in beroep, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te

nemen op het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2014;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 917,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een

bedrag van € 83,-;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante, tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat verweerder appellante het door haar in beroep betaalde griffierecht ten bedrage

van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.V. van Donk

HD