Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
15-6364 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Aanvraag om AOR-toekenningen terecht afgewezen. Niet gebleken dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het toenmalige Nederlands-Indië. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6364 AOR

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 3 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 september 2015, kenmerk BZ01865759 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren in 1943 in het toenmalige Nederlands-Indië. In augustus 2014 heeft hij verzocht om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 16 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het toenmalige Nederlands-Indië.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. Op 11 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6981) heeft de Raad uitspraak gedaan in een tweetal procedures van appellant betreffende de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). In die uitspraak is geoordeeld dat geen bevestiging is verkregen dat appellant geïnterneerd is geweest of bombardementen, beschietingen of ongeregeldheden heeft meegemaakt. Van het door appellant in de bezwaarfase gestelde incident op een brug vlakbij de ouderlijke woning waarbij hij gewond is geraakt door een klap van een Japanner of Indonesiër, ontbreekt eveneens een bevestiging. De zuster van appellant verklaart wel dat appellant tijdens ongeregeldheden is geslagen en dat hij daarbij gewond is geraakt maar die verklaring vindt geen steun in de gegevens van haar eigen aanvraag en ook niet in het sociaal rapport van appellant. Los van het ontbreken van een bevestiging bestaat overigens ook in het geheel geen duidelijkheid over de aard en aanleiding van het incident op de brug. Daardoor kan niet worden beoordeeld of het wellicht een omstandigheid is die onder de werking van de AOR zou kunnen worden gebracht. Verder is ook de Raad niet gebleken dat de Nefis-activiteiten van de vader van appellant tot concrete gebeurtenissen hebben geleid waarbij appellant betrokken is geweest.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van appellant moet ongegrond worden verklaard.

3.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

3.3.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

3.4.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 15 mei 2015 tot aan de datum van deze uitspraak (3 augustus 2017) zijn twee jaar en (afgerond) drie maanden verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden geweest die een tijdsverloop van meer dan twee jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dus overschreden met drie maanden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De overschrijding dient geheel aan de rechterlijke fase te worden toegeschreven. De Raad zal daarom de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

4. Het geslaagd beroep op schending van de redelijke termijn geeft aanleiding de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 247,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van appellant tot een bedrag van € 247,50.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.V. van Donk

HD