Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
15-6873 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

1) Vergoeding voor gebitsrehabilitatie terecht afgewezen. De gebitsklachten kunnen niet aan de vervolging worden toegeschreven omdat een zogenoemde rode draad ontbreekt. Voldoende medische onderbouwing. 2) Ingangsdatum Wuv-toekenningen. Geen aanleiding aan de ingangsdatum terugwerkende kracht te verlenen omdat ten tijde van de aanvragen in 2001 en 2005 de bij appellante aanwezige psychische klachten niet het niveau bereikten van een ziekte of gebrek. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6873 WUBO, 15/6874 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 3 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 16 september 2015, kenmerk BZ01809801 en BZ01809800. Deze besluiten zijn genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945 (Wuv), bestreden besluit 1, onderscheidenlijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), bestreden besluit 2.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. Daar is namens appellante verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1942, heeft in maart 2001 een aanvraag op grond van de Wuv ingediend. Bij besluit van 22 november 2001 is appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. De aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering en voorziening is afgewezen op de grond dat de psychische klachten van appellante niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek in de zin van de Wuv. De nekklachten, schouderklachten en hoofdpijn van appellante zijn toegeschreven aan andere oorzaken dan de ondergane vervolging.

1.2.

Op dezelfde gronden heeft verweerder bij besluit van 2 augustus 2005 afwijzend beslist op een hernieuwde aanvraag van appellante om toekenningen op grond van de Wuv.

1.3.

In juni 2014 heeft appellante een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wubo, naar gelang voor haar het gunstigst is.

1.4.1.

Bij besluit van 6 november 2014 is met ingang van 1 juni 2014 op grond van de Wuv aan appellante een periodieke uitkering, een vergoeding huishoudelijke hulp, een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer en een vergoeding voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toegekend. De aanvraag voor gebitsrehabilitatie is afgewezen. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met de ondergane vervolging. De rugklachten, hypertensie en gebitsklachten zijn door verweerder niet toegeschreven aan de vervolging. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

1.4.2.

Bij besluit van eveneens 6 november 2014 is op grond van de Wubo aanvaard dat bij appellante sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld, te weten internering tijdens de Japanse bezetting. Een verband met het oorlogsgeweld is niet aanvaard voor de bij appellante aanwezige nekklachten, schouderklachten, hoofdpijn, rugklachten, hypertensie en gebitsklachten. Verweerder heeft aan appellante geen aanspraken op grond van de Wubo toegekend gezien de toekenningen op grond van de Wuv. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

2. In beroep is aangevoerd dat ten onrechte een vergoeding voor een gebitsrehabilitatie is afgewezen en dat de ingangsdatum van de toekenningen op grond van de Wuv moet worden geplaatst op een eerder moment en wel in 2001 dan wel in ieder geval in 2005.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gebitsrehabilitatie

3.1.1.

Verweerder voert onder meer het beleid dat tandartskosten voor vergoeding in aanmerking komen als het gaat om gebitsaandoeningen als gevolg van causale aanlegstoornissen. Dit is het geval als er in de oorlogsperiode sprake is geweest van internering gedurende minimaal zes maanden vóór de 15e verjaardag en bovendien een zogenoemde rode draad aanwijsbaar is. Daarvoor is vereist dat tijdens de internering sprake is geweest van langdurige ondervoeding. Tevens moet er een consistent verhaal zijn met betrekking tot de gebitsproblemen door de jaren heen, waarbij tijdens en/of vanaf de oorlog een duidelijke langdurige tandheelkundige problematiek aanwezig is geweest, ondanks voldoende onderhoud.

3.1.2.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de gebitsklachten niet aan de vervolging kunnen worden toegeschreven omdat een zogenoemde rode draad ontbreekt. Deze overweging steunt met name op het advies van de arts R.J. Roelofs. Dat advies is gebaseerd op een persoonlijk onderhoud met appellante. Daarbij beschikte Roelofs over de medische gegevens van de eerdere aanvragen van appellante.

3.1.3.

De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het door verweerder ingenomen standpunt voor onjuist te houden. Uit het advies van Roelofs blijkt dat van een regelmatige controle van het gebit van appellante in Indonesië geen sprake was. Appellante ging alleen bij klachten naar de tandarts. Blijkens het medisch onderhoud in 2001 waren er geen klachten en was appellante al 4 á 5 jaar niet naar de tandarts geweest. In 2005 werden geen gebitsklachten genoemd. De zogenoemde rode draad van sinds de oorlog bestaande continue gebitsklachten kan dan ook niet worden vastgesteld. Het ontbreken van de zogenoemde rode draad is overigens namens appellante ook niet weersproken. De bestreden besluiten houden in zoverre stand.

Ingangsdatum toekenningen op grond van de Wuv

3.2.1.

In overeenstemming met het bepaalde in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv heeft verweerder de ingangsdatum van de aan appellante toegekende periodieke uitkering en voorzieningen bepaald op de eerste dag van de maand waarin de onder 1.3 genoemde aanvraag is ingediend. Verweerder voert het beleid dat hij alleen dan gehouden is om tot een vroegere datum terug te gaan als sprake is van een hem toe te rekenen ambtelijke fout. In vaste rechtspraak heeft de Raad dit beleid aanvaard (uitspraak van 26 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:330).

3.2.2.

Verweerder heeft, in navolging van de adviezen van zijn geneeskundig adviseurs, de artsen G.L.G. Kho en A.J. Maas, te kennen gegeven geen aanleiding te zien aan de ingangsdatum terugwerkende kracht te verlenen omdat ten tijde van de aanvragen in 2001 en 2005 de bij appellante aanwezige psychische klachten niet het niveau bereikten van een ziekte of gebrek. De Raad kan dit niet voor onjuist houden. Het in bezwaar gegeven, retrospectieve, oordeel van de arts G.L. Laatsch die appellante op 13 maart 2015 heeft onderzocht en enkel op basis daarvan meent dat de psychische klachten van appellante al in 2001 het niveau van een ziekte of gebrek bereikten, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Uit de adviezen van Kho en Maas komt duidelijk naar voren dat in 2001 en 2005 geen psychopathologie kon worden gediagnosticeerd. Op grond van de toen beschikbare gegevens mocht verweerder beslissen zoals toen is beslist. Verweerder heeft terecht de hoofdregel van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv toegepast en de ingangsdatum van de toekenningen geplaatst op de eerste dag van de maand waarin het (hernieuwde) verzoek is ingediend. Bestreden besluit 1 houdt ook in zoverre stand.

3.3.

De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.

4.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij heeft haar verzoek beperkt tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

4.2.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt - voor zover hier van belang - dat in beginsel het beroep binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgehandeld. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.3.

Vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 15 oktober 2015 tot aan deze uitspraak

(3 augustus 2017) zijn 1 jaar en (afgerond) tien maanden verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden geweest die in de rechterlijke fase een tijdsverloop van meer dan anderhalf jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn in de rechterlijke fase is dus overschreden met vier maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Nu in dit geval de twee zaken van appellante betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld wordt slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. De Raad zal de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

5. Het geslaagde beroep op schending van de redelijke termijn in de rechterlijke fase geeft aanleiding de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 247,50 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van appellante tot een bedrag van € 247,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.V. van Donk

HD