Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
16/401 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noch op grond van artikel 1a, aanhef en onder a, noch op grond van artikel 1a, aanhef en onder b, van de WW kunnen in week 33 van 2014 meer dan 30 uren als arbeidsuren worden aangemerkt. Het verlies aan arbeidsuren bedroeg in die week acht. Zo is voldaan aan de voorwaarde voor werkloosheid. Ten onrechte heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 11 augustus 2014 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat geen sprake is van een (relevant) arbeidsurenverlies. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0190

Uitspraak

16/401 WW

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 december 2015, 15/2160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appelant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Smit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde mr. M.J. Klinkert, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 februari 2002 als agrarisch medewerker in dienst van (een rechtsvoorganger van) [naam werkgeefster] (werkgeefster). Voor appellant geldt een vast aantal contracturen op jaarbasis. Zijn loon is hierop gebaseerd. Het aantal uren dat appellant werkt is niet gelijkmatig over het jaar verspreid; afhankelijk van het seizoen en de daaraan verbonden werkzaamheden werkt hij meer of minder. Het loon wordt wel gelijkmatig over het jaar uitbetaald, in die zin dat appellant per periode van vier weken een vast bedrag ontvangt, onafhankelijk van het aantal feitelijk gewerkte uren. Appellant valt onder de cao Bedrijfsverzorgingsdiensten, waarin dit binnen de sector gebruikelijke systeem voor loonbetaling in artikel 14, leden 6 tot en met 9 (tekst tot en met 31 december 2015) verder is uitgewerkt.

1.2.

In verband met teruglopende werkzaamheden zijn appellant en werkgeefster overeengekomen dat met ingang van 11 augustus 2014 het aantal overeengekomen contracturen wordt teruggebracht van 1950 (gemiddeld 37,5 per week) tot 1560 (gemiddeld 30 per week) op jaarbasis. Appellant en werkgeefster hebben hiertoe op 18 april 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten en op 11 augustus 2014 een nieuwe arbeidsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is expliciet neergelegd dat appellant voortaan aanspraak heeft op loon over 30 uren per week. Het in de nieuwe arbeidsovereenkomst opgenomen loon per vier weken is hiermee in overeenstemming.

1.3.

Appellant heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW), waarbij hij heeft gesteld dat hij met ingang van 11 augustus 2014 van 37,5 naar 30 uur per week is gegaan en dus gedeeltelijk werkloos is geworden. Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant in de week van 11 augustus 2014 (week 33 van 2014) niet ten minste vijf arbeidsuren heeft verloren en dus niet werkloos is geworden. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
12 mei 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard, in zoverre dat het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellant per 18 augustus 2014 (week 34 van 2014) recht is ontstaan op een WW-uitkering. Appellant heeft volgens het Uwv in die week wel een relevant arbeidsurenverlies geleden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat appellant per 11 augustus 2014 geen recht heeft op een WW-uitkering. Daartoe heeft zij overwogen dat niet in geschil is dat op 11 augustus 2014 het gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) 38 per week bedroeg. Nu appellant in week 33 van 2014 40 uur heeft gewerkt, heeft hij in die week geen arbeidsurenverlies geleden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW. Het (gestelde) feit dat appellant over week 33 van 2014 slechts recht heeft op loon over 30 uur, doet daar niets aan af.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij al met ingang van

week 33 van 2014 werkloos is geworden, omdat toen al een relevant arbeidsurenverlies is opgetreden. Het Uwv heeft volgens hem ten onrechte het standpunt ingenomen dat de feitelijke arbeidsomvang per week als grondslag heeft te dienen voor het arbeidsurenverlies.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft betoogd dat in week 33 van 2014 weliswaar slechts 30 uren werden uitbetaald, maar dat over de overige tien uren die appellant in die week had gewerkt wel degelijk ook uitbetaling zou plaatsvinden, namelijk in weken waarin appellant minder dan 30 uren zou werken. Appellant had daarom ook over die uren recht op loon, zij het op een later moment.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De artikelen 1a en 16 van de WW luidden van 1 januari 2013 tot 1 juli 2015 voor zover in dit geding van belang als volgt:

Artikel 1a

1. Onder arbeidsuur wordt in deze wet verstaan:

a. uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen; of

b. uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid. (…).

Artikel 16

1. Werkloos is de werknemer die:

a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

2. Onder het in het eerste lid bedoelde gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het gemiddeld aantal arbeidsuren in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de kalenderweek, bedoeld in het eerste lid. (…).

4.2.

Artikel 1a en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 16 zijn ingevoerd bij de Wet vereenvoudiging regelingen Uwv en in werking getreden op 1 januari 2013 . Deze wet was gericht op vereenvoudiging van wet- en regelgeving, in het belang van meer doelmatigheid, een grotere inzichtelijkheid van de regelgeving en vermindering van uitvoeringskosten voor de overheid en de administratieve lasten voor werkgever en werknemers. De aanpassingen waren primair ingegeven door uitvoeringstechnische overwegingen (Kamerstukken II, 2011/12, 33 327, nr 3, blz. 2). Nadat in de memorie van toelichting een voorbeeld was gegeven over de wijze waarop tot op dat moment het arbeidsurenverlies in de WW was geregeld, vervolgde deze met:

“Aanleiding tot deregulering

Bij bovenstaande beoordeling wordt uitgegaan van het aantal gewerkte arbeidsuren. Het aantal gewerkte arbeidsuren wordt echter niet in de polisadministratie geregistreerd. Dit gegeven moet daarom apart worden uitgevraagd bij de werknemer. De polisadministratie registreert wel het aantal verloonde arbeidsuren.

Voorgestelde regeling

Het voorstel is om een definitie van “arbeidsuren” op te nemen in artikel 1 van de WW. Onder “arbeidsuren” worden verstaan uren waarover een werknemer loon heeft ontvangen. Dit komt overeen met het begrip “verloonde arbeidsuren” in de polisadministratie. Het kan zich echter voordoen dat een werknemer zijn loon nog niet heeft ontvangen op het moment dat hij een WW-uitkering aanvraagt. Zo kan het voorkomen dat een werknemer zijn loon over januari pas een paar maanden later ontvangt. Als deze werknemer bijvoorbeeld op 31 januari wordt ontslagen en de volgende dag een uitkering aanvraagt, dan is nog niet in de polisadministratie opgenomen dat de werknemer verloonde arbeiduren had in januari. Zonder nadere voorziening zou daarom sprake zijn van arbeidsurenverlies op 1 januari , terwijl daarvan feitelijk pas sprake is op 1 februari. Daarom wordt ook een uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid, aangemerkt als arbeidsuur. Dit is een voortzetting van het huidige beleid.”

(Kamerstukken II, 2011/12, 33 327, nr 3, blz 4)

Tevens is toegelicht:

“De wijziging van de in deze onderdelen genoemde artikelen is een uitwerking van het voorstel om bij de beoordeling van het recht op een WW-uitkering (…) uit te gaan van uren waarover loon is ontvangen in plaats van uren waarin is gewerkt. Daarom is voorgesteld om een definitie van “arbeidsuren” op te nemen in artikel 1 van de WW (…). Onder arbeidsuur wordt verstaan een uur waarover de werknemer loon heeft ontvangen en een uur waarover de werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid. (…)

Deze wijziging brengt tevens met zich mee dat de voorwaarde in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de WW dat er sprake moet zijn van “het recht op onverminderde loondoorbetaling” kan komen te vervallen. Om die reden is artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de WW gewijzigd.

De voorgestelde werkwijze leidt ertoe dat in plaats van gewerkte uren, verloonde arbeidsuren uitgangspunt vormen voor het vaststellen van het recht en de duur van de WW- dan wel de wet WIA-uitkering.”

(Kamerstukken II, 2011/12, 33 327, nr 3, blz. 19 en 20)

4.3.

Zoals uit 4.2 blijkt is voor de vaststelling van arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW vanaf 1 januari 2013 niet langer het aantal gewerkte uren van belang, maar het aantal verloonde uren of het aantal uren waarover recht bestond op loon. Ongewijzigd geldt nog steeds het systeem van hoofdstuk II van de WW dat het recht op werkloosheidsuitkering per kalenderweek wordt beoordeeld. Per kalenderweek wordt beoordeeld of de betrokken werknemer werkloos is en, zo ja, in welke mate. Met dit systeem verhoudt zich niet dat bij de beoordeling van de omvang van een verlies aan arbeidsuren in een bepaalde kalenderweek rekening wordt gehouden met uren in andere kalenderweken.

4.4.

Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of appellant in week 33 van 2014 ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn GAA per week.

4.5.

Partijen zijn het er over eens dat het GAA in de 26 kalenderweken voor 11 augustus 2014 38 bedroeg. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat appellant in het jaar 2014 in totaal 1600,8 uur heeft gewerkt en vanaf week 33 van 2014 over door hem gewerkte uren steeds over 30 uur loon heeft ontvangen. Over week 33 van 2014 heeft hij dus geen inkomen ontvangen over de tien uren die hij in die week meer heeft gewerkt dan 30.

4.6.

Anders dan het Uwv heeft gesteld had appellant over week 33 van 2014 ook geen recht op loon over meer dan 30 uur. Dit volgt noch uit zijn arbeidsovereenkomst noch uit artikel 14 van de cao, zoals dat tot en met 2015 gold. Gelet op wat in 4.2 is overwogen is er geen grond om verloonde uren over andere kalenderweken geheel of gedeeltelijk toe te rekenen aan week 33 van 2014.

4.7.

Het beroep van het Uwv op de uitspraak van 22 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2455, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het om de toepassing van de overnameregeling van Hoofdstuk IV van de WW. Partijen werden in die zaak verdeeld gehouden door de vraag of de vergoeding ter zake van zogenoemde reserveringsuren gelijkgesteld kon worden met vakantiegeld of vakantiebijslag, of dat sprake was van loon. Geoordeeld werd dat het ging om uitgesteld loon, zodat overname beperkt was tot de tijdvakken van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW. Vervolgens kwam de vraag aan de orde op welke wijze deze uren voor de toepassing van de overnameregeling moesten worden toegerekend aan een bepaalde periode. Geoordeeld werd dat alleen overname kon plaatsvinden ter zake van in de overnameperioden gewerkte reserveringsuren. De hier gekozen benadering kan niet los worden gezien van de overnameregeling van Hoofdstuk IV van de WW met de daarin opgenomen beperking tot die perioden en de toerekening van betaald loon in die perioden aan een periode voorafgaand aan de perioden waarin recht op loonovername bestaat.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat noch op grond van artikel 1a, aanhef en onder a, noch op grond van artikel 1a, aanhef en onder b, van de WW in week 33 van 2014 meer dan 30 uren als arbeidsuren kunnen worden aangemerkt. Het verlies aan arbeidsuren bedroeg in die week acht. Zo is voldaan aan de voorwaarde voor werkloosheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Ten onrechte heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per

11 augustus 2014 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat geen sprake is van een (relevant) arbeidsurenverlies. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.1.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het tegen het bestreden besluit gerichte beroep gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er zijn te weinig gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen in plaats van het vernietigde besluit, met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, en na bespreking van de wijze van afdoening met partijen ter zitting, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5.2.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 990,- en in hoger beroep op € 990,-. De reiskosten in beroep (reiskosten [woonplaats] -Leeuwarden) worden begroot op € 6,20. In totaal dus € 1.986,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 mei 2015;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.986,20;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen

AB