Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
15/4206 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen die onder verantwoordelijkheid van appellante zijn verricht, onvoldoende zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0192

Uitspraak

15/4206 WIA, 15/4207 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 mei 2015, 14/6410 en 14/6411 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

V.O.F. [naam A.] en [naam B.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een arbeidskundig rapport.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. Voor appellante zijn verschenen [naam B.] en [naam C.] , bijgestaan door mr. Van Gestel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante drijft een detailhandel in luxe en huishoudelijke artikelen en tuinmeubelen. Naast de firmanten is [naam werkneemster] (werkneemster) vanaf 2003 voor 40 uur per week als verkoopster werkzaam geweest. Werkneemster is met ingang van 3 april 2012 uitgevallen in verband met psychische en gewrichtsklachten.

1.2.

Naar aanleiding van een door appellante verzocht deskundigenoordeel of zij voldoende re-integratie-inspanningen verricht, heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 3 januari 2013 geconcludeerd dat in verband met tegengestelde en ontbrekende informatie geen oordeel kan worden gegeven.

1.3.

Op 26 februari 2013 is een aanvraag ingediend om te beoordelen of werkneemster in aanmerking komt voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd. In een rapport van een verzekeringsarts van 1 maart 2013 is daarover vermeld dat bij een ziektebeeld zonder duidelijk onderliggend substraat niet kan worden gesteld dat bij werkneemster sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid zoals vereist voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd.

1.4.

Op 30 september 2013 heeft werkneemster een deskundigenoordeel gevraagd over de

re-integratie-inspanningen van appellante. In een rapport van 13 november 2013 heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv overwogen dat het re-integratietraject tot dan toe op een onjuist vastgestelde belastbaarheid is gebaseerd en heeft hij geconcludeerd dat de

re-integratie-inspanningen door appellante niet voldoende zijn.

1.5.

Op 21 november 2013 heeft een nieuwe bedrijfsarts werkneemster onderzocht en in een rapport van die datum geconcludeerd dat het ziektebeeld niet adequaat wordt behandeld en dat spoor 2 moet worden ingezet. Werkneemster heeft belastbare mogelijkheden en er is alle reden om verbetering te verwachten. Hij heeft daarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt. Behalve een beperking voor nachtarbeid is daarbij geen urenbeperking gesteld.

1.6.

Op verzoek van appellante heeft een arbeidsdeskundige vervolgens op 29 november 2013 gerapporteerd dat het eigen werk niet meer geschikt is voor werkneemster en dat zij in staat is reguliere (loonvormende) arbeid te verrichten. Geadviseerd wordt, naast een multidisciplinaire training, spoor 2 in te zetten, waarbij intensieve begeleiding door een

re-integratiedeskundige en training met begeleiding een absolute vereiste is. Op

5 december 2013 heeft appellante een re-integratiebedrijf ingeschakeld.

1.7.

In het kader van de aanvraag om werkneemster na het einde van de wachttijd in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zijn de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest en dat daarvoor een deugdelijke grond ontbreekt. Bij besluit van 8 januari 2014 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen, verlengd met 52 weken tot

31 maart 2015. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.8.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 februari 2014 het door appellante ingediende bekortingsverzoek afgewezen, omdat appellante de tekortkomingen in de re-integratie nog niet heeft hersteld. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.9.

Bij besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen het loonsanctiebesluit ongegrond verklaard. Bij een tweede besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit om de loonsanctie niet te bekorten eveneens ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat appellante verantwoordelijk is voor de verzuimbegeleiding en re-integratie van haar zieke werkneemster. Volgens de rechtbank staat vast dat de bedrijfsarts lange tijd van te zware beperkingen is uitgegaan. Zij is tot de slotsom gekomen dat de re-integratie- inspanningen die onder verantwoordelijkheid van appellante hebben plaatsgevonden, onvoldoende zijn, zodat de opgelegde loonsanctie in rechte stand houdt. De rechtbank heeft eveneens de conclusies van het Uwv onderschreven dat bij het verzoek om bekorting de tekortkomingen niet waren hersteld, zodat terecht is geweigerd de loonsanctie te bekorten.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv destijds tekort is geschoten in het geven van een adequaat deskundigenoordeel op verzoek van appellante. Ook heeft het Uwv een te korte termijn gegeven aan de bedrijfsarts om informatie te verstrekken. Werkneemster heeft inmiddels een Wsw-indicatie, zodat vraagtekens gezet kunnen worden bij de inzet van een tweede spoor. Tot slot heeft appellante erop gewezen dat zij na de loonsanctie direct een tweede spoor is gestart. Zij heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en te bepalen dat de loonsanctie komt te vervallen.

3.2.

Het Uwv heeft, met verwijzing naar de reactie van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 juli 2015 op wat in hoger beroep is aangevoerd, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

In artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA is bepaald dat, indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde re-integratie-inspanningen heeft hersteld, hij dit meldt aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.

4.1.2.

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de

re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

4.1.3.

Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt sinds 29 december 2005 als volgt:

“De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”

4.1.4.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.

4.1.5.

In de Beleidsregels is onder meer voor de situatie waarin een werkgever of werknemer zich afvraagt of de re-integratie-activiteiten adequaat zijn, de mogelijkheid tot het vragen van een deskundigenoordeel vermeld. Doel daarvan is te voorkomen dat het re-integratieproces wordt vertraagd of zelfs stokt. Van de werkgever en de werknemer wordt in feite verwacht dat zij, als zij vragen hebben over de juiste voortgang van de re-integratie, die re-integratie niet laten stagneren, maar door middel van een deskundigenoordeel de vicieuze cirkel doorbreken. In eerste instantie mag dit van de werkgever worden verwacht. Bij hem ligt immers het initiatief voor de re-integratie.

4.2.

Niet in geschil is dat voor werkneemster geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, zodat het Uwv kon toekomen aan de beoordeling van de verrichte re-integratie-inspanningen.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen die onder verantwoordelijkheid van appellante zijn verricht, onvoldoende zijn geweest. Uit het op 12 november 2013 door de bedrijfsarts opgestelde overzicht van spreekuurverslagen en ziekteverloop, dat de periode beslaat van

20 september 2012 tot 23 oktober 2013, blijkt dat de bedrijfsarts werkneemster voortdurend vergaand beperkt achtte, niet in staat om het eigen werk te doen en waarschijnlijk te beperkt om reguliere arbeid te verrichten. De arbeidskundige rapporten, die voor appellante op

6 februari 2013 en op 15 augustus 2013 zijn opgesteld op basis van de beperkingen zoals die door de bedrijfsarts waren gesteld, vermelden de conclusie dat er voor werkneemster geen reguliere mogelijkheden zijn. Pas nadat een nieuwe bedrijfsarts in november 2013 werkneemster had onderzocht en een nieuwe FML had opgesteld, onder vermelding dat de behandeling tot dan niet adequaat was geweest, heeft de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige in zijn rapport van 29 november 2013 geconcludeerd dat werkneemster begeleid kon worden naar reguliere, loongevende, arbeid. Dat standpunt sluit aan bij het in 1.4 vermelde arbeidskundig rapport. Uit het geschetste verloop van de verzuimbegeleiding moet worden afgeleid dat de arbeidsdeskundige van het Uwv bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen terecht heeft geconcludeerd dat door de te zwaar gestelde beperkingen het re-integratietraject niet adequaat is geweest en daardoor re-integratiekansen zijn gemist.

4.4.

Dat sprake zou zijn geweest van een inadequaat deskundigenoordeel, zoals door appellante gesteld, wordt niet gevolgd. Uit het arbeidskundig rapport van 3 januari 2013 blijkt dat de arbeidsdeskundige navraag heeft gedaan wat de reden voor het gevraagde oordeel was, mede gelet op gegeven informatie over een voorgenomen IVA-beoordeling. De arbeidsdeskundige heeft er in zijn rapport op gewezen dat er bij betrokkenen verschillende visies bestonden en dat er verschillende kanten op werd gekoerst, zodat geen sprake was van een adequate regie. Dat had voor – de adviseurs van – appellante aanleiding en startpunt moeten vormen om de re-integratie verder adequaat vorm te geven. Die noodzaak bestond des te meer toen ook een verzochte IVA-uitkering met verkorte wachttijd was afgewezen, omdat de medische situatie van werkneemster niet aan de daarvoor gestelde criteria voldeed. Er is geen aanleiding het Uwv op dit punt een tekortschietende aanpak te verwijten, zoals door appellante gesteld.

4.5.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen volgt evenmin uit de indicatiestelling voor de Wsw dat werkneemster niet geschikt zou zijn voor de reguliere arbeidsmarkt. In hoger beroep zijn geen gronden aangevoerd die aanleiding geven het gemotiveerde oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op de opgelegde loonsanctie, niet slaagt.

4.7.

Van het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de weigering van het Uwv om de loonsanctie te bekorten heeft appellante ter zitting erkend dat ten tijde van het verzoek om bekorting de door het Uwv vastgestelde tekortkomingen niet waren hersteld. Gelet daarop is er geen aanleiding over de bekorting anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Ook dit onderdeel van het hoger beroep slaagt niet. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H. Achtot

KP