Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
16/5861 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling). De minister heeft ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de conflicteis omdat appellante geen alimentatie heeft gevorderd. Dit motiveringsgebrek wordt gepasseerd. De minister heeft nader gemotiveerd dat, en waarom, naar zijn opvatting niet kan worden gesproken van een ernstig en structureel conflict als bedoeld in de wet. Niet kan worden geconcludeerd dat loskoppeling aangewezen is. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. Uit de brief van de psycholoog blijkt niet van zodanige psychische klachten verband houdende met de verstoorde relatie tussen appellante en haar vader dat daaraan de conclusie zou moeten worden verbonden dat loskoppeling aangewezen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/5861 WSF

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

3 augustus 2016, 15/1766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Geerdink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Geerdink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft bij de minister een verzoek ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling), omdat zij met haar vader een ernstig conflict heeft.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de minister het verzoek van appellante afgewezen omdat tussen appellante en haar vader geen sprake is van een ernstig en onverzoenlijk conflict.

1.3.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de aanvullende beurs afhankelijk blijft van het inkomen van haar vader omdat zij geen alimentatie van haar vader heeft gevorderd. Gelet daarop wordt niet toegekomen aan de beoordeling of sprake is van een conflict.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval van appellante geen sprake is van zodanig zwaarwegende en bijzondere omstandigheden dat de minister met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) vervatte hardheidsclausule de aanvullende beurs van appellante zonder alimentatievonnis of notariële akte had moeten vaststellen. De minister heeft dan ook op goede gronden afgezien van toepassing van artikel 3.14 van de Wsf 2000.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan de conflicteis en dat van haar niet gevergd kon, en kan, worden om de rechtbank te verzoeken om alimentatie ten laste van haar vader vast te stellen. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft zij verwezen naar eerder in de procedure overgelegde stukken en is een brief van GZ-psycholoog M. Troost van 21 september 2016 overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Uit de systematiek van de regeling in de artikelen 6 tot en met 12 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000), en de daarop gegeven toelichting, volgt dat bij een verzoek om loskoppeling primair dient te worden beoordeeld of zich een van de, door de aanvrager gestelde, situaties voordoet als omschreven in artikel 6, en nader uitgewerkt in de artikelen 7 tot en met 11, van het Bsf 2000. Doet zich een van die situaties voor dan dient vervolgens (met uitzondering van de loskoppelingsgrond van artikel 6, aanhef en onder d, van het Bsf 2000), zolang de studerende jonger is dan 21 jaar, toepassing te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 12 van het Bsf 2000. Ingevolge dat artikel wordt voor studerenden jonger dan 21 jaar de vastgestelde, dan wel de nog vast te stellen alimentatie voor studerenden van 18 tot 21 jaar, in de plaats gesteld van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.

4.3.

Appellante heeft er belang bij dat (eerst) wordt vastgesteld of al dan niet wordt voldaan aan de in de artikelen 6 en 7 van het Bsf bedoelde conflicteis omdat artikel 12 van het Bsf 2000 slechts werking heeft tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar. Bij voldoening aan de conflicteis leidt het afzien van het instellen van een alimentatievordering jegens de vader dan ook niet tot een volledige afwijzing van het verzoek om loskoppeling, maar tot een afwijzing van dat verzoek tot de maand volgend op de maand waarin appellante 21 jaar is geworden.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de minister ten onrechte bij het bestreden besluit het standpunt heeft ingenomen dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de conflicteis omdat appellante geen alimentatie heeft gevorderd. Tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit hoeft dat evenwel niet te leiden gelet op het navolgende.

4.5.

De minister heeft nader gemotiveerd dat, en waarom, naar zijn opvatting niet kan worden gesproken van een ernstig en structureel conflict als bedoeld in de wet.

4.6.

Volgens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 valt bij een ernstig en structureel conflict in de zin van de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Bsf 2000, te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie dat loskoppeling de enige weg is. Als voorbeelden daarvan worden gevallen genoemd waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld dan wel gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof.

4.7.

Uit wat appellante heeft aangevoerd, en de ter ondersteuning daarvan overgelegde verklaringen, valt af te leiden dat na de scheiding van haar ouders in 1999 het contact tussen appellante en haar vader in de loop der jaren steeds minder is geworden. Nadat appellante in 2013 op de hoogte is geraakt van het nieuwe gezin van haar vader heeft zij het contact met hem geheel verbroken. Ze voelde zich door hem bedrogen, in de steek gelaten en had het vertrouwen in hem verloren. De houding van haar vader, die vanaf de scheiding nauwelijks contact met appellante heeft gezocht, die jarenlang zijn nieuwe gezin voor appellante verborgen heeft gehouden en tegenover appellante veelal ongeïnteresseerd, afstandelijk en onverschillig was en is, moet bijzonder pijnlijk en verdrietig voor appellante zijn. Echter, daaruit kan niet worden geconcludeerd dat loskoppeling aangewezen is. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. Uit de brief van psycholoog Troost van 21 september 2016 blijkt niet van zodanige psychische klachten verband houdende met de verstoorde relatie tussen appellante en haar vader dat daaraan de conclusie zou moeten worden verbonden dat loskoppeling aangewezen is.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit 4.6 en 4.7 volgt echter dat de minister het verzoek van appellante wel heeft mogen afwijzen. Het motiveringsgebrek zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat appellante daardoor niet is benadeeld.

4.9.

Gelet op 4.8 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Gelet op het motiveringsgebrek bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM