Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
15/2792 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang. Door de intrekking van het aan appellante verleende pgb niet langer te handhaven, is het Zorgkantoor volledig aan het hoger beroep van appellante tegemoetgekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2792 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2015, 14/990 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. Appellante is, hoewel daartoe opgeroepen, niet in persoon of bij gemachtigde verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.P. van Unnik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 16 december 2012 heeft het Zorgkantoor aan appellante voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 juni 2013 op grond van de Regeling subsidies AWBZ een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 8.757,39 (netto).

1.2.

Bij besluit van 28 januari 2013 heeft het Zorgkantoor het aan appellante verleende pgb met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken. Hieraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellante zich niet heeft gehouden aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.

1.3.

Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van

28 januari 2013 herroepen, bepaald dat het pgb van appellante wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 2013 en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat haar pgb ten onrechte is ingetrokken.

3.2.

Ter zitting van de Raad heeft het Zorgkantoor meegedeeld de intrekking van het aan appellante verleende pgb niet langer te handhaven.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van

18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Nu het Zorgkantoor ter zitting van de Raad heeft meegedeeld de intrekking van het aan appellante verleende pgb niet langer te handhaven, is hij volledig aan het hoger beroep van appellante tegemoetgekomen. Dit betekent dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 495,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) R.H. Budde

AB