Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
15/4193 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Vaststelling en terugvordering pgb 2012. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. 2) Intrekking en terugvordering pgb 2013. De gedragingen van appellant met betrekking tot het jaar 2012 kunnen niet worden aangemerkt als handelen in strijd met verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2013 aan appellant zijn opgelegd. Daarmee voorziet noch artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa, noch artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in een grondslag voor de intrekking van het voor 2013 verleende pgb wegens de hem verweten handelwijze. Er is ook geen andere wettelijke bepaling die een grondslag biedt voor deze intrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4193 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraakj. van de rechtbank Limburg van 1 mei 2015, 14/1910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.L. Teerling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Appellant en mr. Teerling zijn, met bericht, niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Hassel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de jaren 2012 en 2013 een pgb verleend van € 25.206,34 onderscheidenlijk € 25.133,88 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 3 mei 2013 het aan appellant voor het jaar 2012 verleende persoonsgebonden budget (pgb) vastgesteld op € 10.132,10 en een bedrag van € 15.074,24 teruggevorderd. Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 1 mei 2013 het voor het jaar 2013 verleende pgb ingetrokken en bij besluit van 11 mei 2013 het voorgeschoten bedrag van € 5.769,92 teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellant tegen de onder 1.2 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Aan de vaststelling en terugvordering over 2012 heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan het in 2012 verleende pgb. Zo hebben contante betalingen plaatsgevonden, is een te hoog tarief gehanteerd, missen zorgovereenkomsten en facturen en hebben in 2012 betalingen plaatsgevonden voor zorg geleverd in 2011. Op dezelfde grond heeft het Zorgkantoor daarom ook het over 2013 verleende pgb ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat en welke zorg is geleverd en welke bedragen zijn verantwoord, zodat appellant zich niet aan de opgelegde verplichtingen heeft gehouden. Het Zorgkantoor was bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De rechtbank acht appellant verantwoordelijk voor het beheer van het pgb en ziet geen aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat niet hij maar het Zorgkantoor het risico behoort te dragen van de problemen die zijn ontstaan door de werkwijze van de zorgverlener. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het Zorgkantoor bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de terugvordering over 2012 en 2013.

3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Volgens appellant heeft hij voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop het pgb is besteed. In het kader van de belangenafweging heeft appellant aangevoerd dat hij heeft vertrouwd op zijn zorgverlener en dat appellant niets te verwijten valt. Een gedeelte van de verantwoordelijkheid ligt ook bij het Zorgkantoor dat op voorhand onvoldoende heeft onderzocht of appellant wel aan zijn

pgb-verplichtingen zou kunnen voldoen.

De vaststelling en de terugvordering van het pgb 2012

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht over de vaststelling en terugvordering van het pgb over 2012. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De hoger beroepsgronden gericht tegen het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de vaststelling en terugvordering van het pgb voor 2012 slagen dan ook niet.

De intrekking en de terugvordering van het pgb 2013

4.2.1.

Aan de intrekking van het voor het jaar 2013 verleende pgb heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan het pgb voor 2012. De gedragingen van appellant met betrekking tot het jaar 2012 kunnen echter niet worden aangemerkt als handelen in strijd met verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2013 aan appellant zijn opgelegd.

4.2.2.

Ook verder blijkt niet dat appellant enige aan het pgb voor het jaar 2013 verbonden verplichting heeft geschonden. Daarmee voorziet noch artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa, noch artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in een grondslag voor de intrekking van het voor 2013 verleende pgb wegens de hem verweten handelwijze. Er is ook geen andere wettelijke bepaling die een grondslag biedt voor deze intrekking.

4.2.3.

Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van het voor 2013 verleende pgb gegrond verklaard, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en worden de besluiten van 1 mei en 11 mei 2013 herroepen.

4.2.4.

Daarbij merkt de Raad ten overvloede op dat het Zorgkantoor met het oog op de vaststelling van het voor 2013 verleende pgb over kan gaan tot een beoordeling van de verantwoording van de uitbetaalde bedragen.

5. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten worden begroot op € 2.475,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en

de terugvordering van het voor 2013 verleende pgb;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2014 in zoverre gegrond en vernietigt

het besluit van 6 mei 2014 in zoverre;

- herroept de besluiten van 1 mei 2013 en 11 mei 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

CVG