Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
15-4889 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML waarin forse beperkingen zijn aangegeven ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, nog adequaat zijn. De verzekeringsarts inzichtelijk toegelicht dat, kijkend naar de klachten en presentatie van appellant, er geen grote verschillen zijn in de verschillende beoordelingen die hebben plaatsgevonden en dat de depressieve klachten van appellant niet van dien aard zijn dat gesteld moet worden dat het appellant aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreekt. Geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4889 WIA

Datum uitspraak: 28 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

3 juni 2015, 14/2245 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als constructieschilder, heeft zich op

5 januari 2009 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met lichamelijke klachten. Appellant heeft nadien ook psychische klachten ontwikkeld. Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 januari 2011, tot 30 mei 2013, in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Het Uwv heeft appellant bij besluit van

23 november 2011 bericht dat hij, gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, meer arbeidsgeschikt is dan voorheen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 39,99% en dat hij met ingang van 24 november 2011 € 2.209,61 bruto per maand kan verdienen, maar dat de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt. Bij besluit van 15 maart 2013 heeft het Uwv appellant bericht dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering per 30 mei 2013 eindigt en dat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft appellant verder bericht dat hij met ingang van 1 december 2013 een WGA-vervolguitkering ontvangt wanneer hij niet tenminste de helft van € 2.209,61 per maand verdient.

1.2.

Appellant heeft het Uwv op 20 november 2013 gemeld dat zijn psychische beperkingen zijn toegenomen als rouwreactie op het plotseling overlijden van zijn echtgenote in december 2012.

1.3.

Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 16 januari 2014 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 42,12% bedraagt, maar dat de hoogte van zijn WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd blijft. De verzekeringsarts heeft op basis van zijn onderzoeksbevindingen vastgesteld dat sprake is van een ongewijzigde situatie met passiviteit, waarvoor appellant op dat moment een activerende behandeling volgt. Het overlijden van de echtgenote van appellant heeft daarbij een negatieve invloed gehad op eventuele herstelmogelijkheden. Naar de visie van de verzekeringsarts kunnen de voor appellant vastgestelde beperkingen zoals beschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2011, gehandhaafd blijven. De beperkingen van appellant zijn door deze verzekeringsarts vervolgens neergelegd in een FML van

3 januari 2014.

1.4.

Bij besluit van 22 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft op basis van zijn bevindingen, verkregen uit observatie van appellant ter hoorzitting, dossieronderzoek en weging van het door appellant ingezonden intakerapport van PsyQ van J. Lamberst en

J. Grunneweg van 26 augustus 2013, geconcludeerd dat de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren, maar ook ten aanzien van de fysieke belastbaarheid, passen bij de problematiek die bij appellant aan de orde is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Zij heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen, onder meer in de rapporten van 17 april 2014 en 28 juli 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, inzichtelijk hebben gemotiveerd dat appellant belastbaar is conform de FML van 3 oktober 2011. De rechtbank heeft van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn oordeel gebaseerd heeft op dossieronderzoek, zijn bevindingen ter hoorzitting en weging van het intakerapport van PsyQ van 26 augustus 2013. In het intakerapport van PsyQ wordt een goed beeld geschetst van de (psychische) problematiek bij appellant en de ingezette behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat er geen aanleiding bestaat om de al forse psychische beperkingen in de FML van 3 oktober 2011 verder aan te scherpen wegens de rouwreactie.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat wel degelijk sprake is van een verslechtering van zijn medische situatie.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen de vaststelling van zijn psychische beperkingen. De gemachtigde van appellant heeft verklaard dat hij de dag voor de zitting contact heeft gezocht met psychiater Nijenhuis, alwaar appellant op dit moment in behandeling is en die appellant in het verleden heeft behandeld. Deze psychiater heeft daarop verklaard dat het psychisch toestandsbeeld van appellant na het overlijden van zijn echtgenote is verslechterd ten opzichte van 2011 en dat hij bereid is hierover schriftelijk te rapporten.

4.2.

Met betrekking tot het onder 4.1 ter zitting gedane verzoek tot aanhouding, wordt besloten dat dit verzoek wordt afgewezen. De Raad overweegt daartoe dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij in de periode in geding niet onder behandeling was van psychiater Nijenhuis, maar in de periode daaraan voorafgaand en voorts eerst wederom in 2017 weer in behandeling is gekomen van deze psychiater. Niet valt in te zien dat psychiater Nijenhuis over het medisch toestandsbeeld van appellant in 2012 meer relevante informatie kan verschaffen dan thans aanwezig is in de medische gedingstukken, waaronder het rapport van PsyQ van

26 augustus 2013.

4.3.

In wat appellant in hoger beroep heeft gesteld ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 3 oktober 2011, nader beschreven in de FML van 3 januari 2014, waarin forse beperkingen zijn aangegeven ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, nog adequaat zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 17 april 2014 en 28 juli 2014 inzichtelijk toegelicht dat, kijkend naar de klachten en presentatie van appellant, er geen grote verschillen zijn in de verschillende beoordelingen die hebben plaatsgevonden en dat de depressieve klachten van appellant niet van dien aard zijn dat gesteld moet worden dat het appellant aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreekt. De uitingsvorm, een depressief gekleurd beeld met vastlopen en uitzichtloosheid, was ook voor het overlijden van zijn echtgenote aanwezig. De voor appellant vastgestelde beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren passen bij zijn problematiek en activering is, net als in het verleden is aangegeven, van belang. Gelet op de beschreven activiteiten van appellant is appellant niet meer beperkt te achten ten aanzien van de belastingaspecten ‘handelingstempo’, ‘zelfstandig handelen’ en ‘eigen gevoelens uiten’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat dit beeld congruent is met het beeld dat beschreven is door Lamberts in het rapport van PsyQ van 26 augustus 2013. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding, te weten wettelijke rente, geen ruimte.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot vergoeding van de schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB