Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
16/3736 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De enkele stelling van appellant dat hij geen achterzijde van een brief heeft gezien met een vermeend daarop staande beroepsclausule is onvoldoende voor de onderbouwing van zijn standpunt dat in dit geval de rechtsmiddelenclausule heeft ontbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3736 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 mei 2016, 15/2763 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 december 2014 heeft de minister de aan appellant op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2014 is aangemerkt als thuiswonende studerende. Bij besluit van 9 januari 2015 heeft de minister aan appellant tevens een bestuurlijke boete opgelegd.

1.2.

Bij besluit van 8 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de minister, voor zover hier van belang, het door appellant op 13 februari 2015 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat de termijnoverschrijding verwijtbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe vastgesteld dat appellant het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2014 na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken heeft ingediend. Omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, zijn de rechtbank niet gebleken. Op de laatste pagina van het schriftelijk aan appellant bekend gemaakte besluit van

9 december 2014 is vermeld dat appellant binnen zes weken een bezwaarschrift kan indienen als hij zich niet kan vinden in dat besluit. Gelet daarop had appellant redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de termijn waarbinnen hij bezwaar had moeten maken. De omstandigheid dat de rechtsmiddelenclausule volgens appellant op de achterkant van de laatste pagina was afgedrukt en niet, zoals bij het boetebesluit van 9 januari 2015, op een aparte pagina maakt dit niet anders.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er wel een verschoonbare reden was voor de te late indiening van het bezwaarschrift. In het besluit van 9 december 2014 was immers niet vermeld dat het een besluit was. Ook de bezwaarclausule ontbrak. Appellant heeft geen achterzijde van een pagina gezien met die informatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat het bericht studiefinanciering van 9 december 2014 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Op de eerste pagina van dat besluit staat vermeld dat de hoogte van de aan appellant toegekende studiefinanciering is aangepast. Daaraan is toegevoegd dat hij over januari 2014 tot en met juli 2015 een bedrag van € 2.197,47 te veel heeft ontvangen en dat dit bedrag zal worden verrekend met de toe te kennen studiefinanciering. Daarmee is de beslissing onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 december 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Appellant heeft de ontvangst van het besluit van 9 december 2014 niet betwist. Aan het eerst ter zitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat hij slechts de eerste en derde pagina van het besluit heeft ontvangen, gaat de Raad voorbij. Nog daargelaten dat dit standpunt zich niet verhoudt met hetgeen door de gemachtigde van appellant in het aanvullend hoger beroepschrift van

2 juni 2016 is vermeld − —uitdrukkelijk is in dat stuk verwezen naar pagina 2 van het besluit − —

miskent dit standpunt dat op de door appellant ontvangen pagina 1 van het besluit is vermeld dat indien de studerende het niet eens is met dat besluit hij de toelichting moet lezen. Deze toelichting, waarin de rechtsmiddelenclausule is opgenomen, wordt in ieder geval standaard vermeld op de achterzijde van de door appellant ontvangen pagina 3 van het besluit. De enkele stelling van appellant dat hij geen achterzijde van een brief heeft gezien met een vermeend daarop staande beroepsclausule is onvoldoende voor de onderbouwing van zijn standpunt dat in dit geval de rechtsmiddelenclausule heeft ontbroken. De Raad wijst volledigheidshalve nog op zijn uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2341, waaruit volgt dat in het geval een toelichting waarnaar wordt verwezen niet kan worden gevonden, het op de weg van de student ligt informatie bij de minister in te winnen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

CVG