Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
16/2350 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1626, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering pgb. Onvoldoende verantwoording. Uit de berekeningen in het nieuwe besluit volgt dat appellante van het aan haar verleende pgb € 37.305,03 moet verantwoorden. Zij heeft de besteding van € 35.580,- voldoende verantwoord. Dit betekent dat zij € 37.305,03 – € 35.580,- = € 1.725,03 niet verantwoord heeft en dat zij dit bedrag aan het Zorgkantoor moet terugbetalen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het teruggevorderde bedrag vaststellen op € 1.725,03.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2350 AWBZ, 17/3223 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 maart 2016, 15/1016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 19 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.T.M. de Haan, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Voor appellante is

mr. De Haan verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T.J. Cheung.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1958, is sinds 1978 bekend met een bipolaire stoornis, met een, de laatste jaren, chronisch catatoon-mutistisch toestandsbeeld. Zij is diverse malen opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. In maart 2009 is zij daaruit ontslagen. Zij wordt sindsdien thuis verzorgd door haar dochter, [naam dochter] (dochter), die zich met het oog daarop vanuit Griekenland in Nederland heeft gevestigd. CIZ heeft appellante geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket GGZ 4C. Appellante bekostigt de zorg sinds 2009 met een persoonsgebonden budget (pgb). Zij betaalt daarmee haar dochter. Vanaf medio 2012 is met tussenpozen opnieuw sprake van opnames in een psychiatrische instelling.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 20 september 2012 een netto pgb van

€ 37.873,12 verleend.

1.3.

Het Zorgkantoor heeft het pgb voor die periode bij besluit van 30 maart 2013 (primair besluit) vastgesteld op nihil en van appellante € 37.873,12 teruggevorderd.

1.4.

Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van appellante bij beslissing op bezwaar van

29 december 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de besteding van het pgb niet deugdelijk is verantwoord. Appellante heeft zich niet gehouden aan de verplichting om slechts girale betalingen te doen. De ingezonden stukken vormen geen sluitende administratie.

1.5.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij zich er niet van bewust is geweest dat vanaf 1 januari 2012 geen contante betalingen meer mochten worden gedaan. Van misbruik is geen sprake omdat de zorg is verleend en betaald. Weliswaar zijn bij het invullen van de formulieren fouten gemaakt, maar het totaal aan haar dochter uitbetaalde bedrag komt globaal genomen overeen met het overeengekomen maandsalaris.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en het teruggevorderde bedrag vast te stellen op € 8.533,12. Het Zorgkantoor is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Zorgkantoor bij verweerschrift te kennen heeft gegeven dat de terugvordering wordt beperkt tot € 8.533,12 nu een bedrag van € 29.340,- kan worden herleid tot door de Sociale verzekeringsbank (Svb) opgestelde loonstroken. Zij heeft ook vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante zich niet heeft gehouden aan de verplichting om slechts girale betalingen te doen en geoordeeld dat het Zorgkantoor om die reden bevoegd is om het pgb op een lager bedrag vast te stellen dan het verleende bedrag. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de uitoefening van die bevoegdheid is de rechtbank tevens tot de conclusie gekomen dat het Zorgkantoor in redelijkheid heeft kunnen beslissen om van appellante

€ 8.533,12 terug te vorderen. Appellante had van de verplichting tot girale betaling op de hoogte kunnen zijn omdat dit blijkt uit het bij het verleningsbesluit gevoegde informatiebulletin. Zij voldoet met betrekking tot het bedrag van € 8.533,12 niet aan de voorwaarden van de zogenoemde coulanceregeling, omdat geen belastingaangifte over 2012 van de dochter is ingediend en omdat de aangeleverde specificatie kinderopvangtoeslag van de dochter daarmee niet op een lijn kan worden gesteld.

3.1.

Namens appellante is in hoger beroep alsnog de op 27 mei 2013 gedateerde belastingaangifte van de dochter over 2012 ingezonden. Daarmee is voldaan aan de coulanceregeling. Uit die aangifte volgt dat appellante aan haar dochter € 40.080,- heeft betaald voor zorg. Omdat € 4.500,- daarvan is betaald voor Wmo-zorg, resteert € 35.580,- voor de AWBZ-zorg. Dat aan de dochter is betaald vindt steun in de specificatie kinderopvangtoeslag. Het teruggevorderde bedrag dient volgens appellante op nihil te worden gesteld.

3.2.

Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 2 juli 2016 het teruggevorderde bedrag aan te veel betaalde voorschotten verder beperkt tot € 7.965,03. Het stelt zich op het standpunt dat met de ingezonden belastingaangifte onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat appellante, in aanvulling op de bedragen die blijken uit de loonstroken van de Svb, aan de dochter contante betalingen heeft gedaan uit het pgb. Kwitanties en afschriften van pinopnamen bij de bank die in samenhang met de aangifte aannemelijk kunnen maken dat daadwerkelijk is betaald, ontbreken. Daarnaast leiden de wel vaststaande bedragen niet tot een sluitende administratie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde voorschotten aan pgb moet worden vastgesteld op

€ 8.533,12.

4.2.

Het besluit van 2 juli 2016 wordt, nu daarmee niet volledig aan het beroep is tegemoetgekomen, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij het geding in hoger beroep betrokken.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag van € 8.533,12 waarvoor de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien, gezien het besluit van 2 juli 2016, te hoog is. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarin het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde voorschotten is vastgesteld op € 8.533,12.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van de Raad van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:B29635) moet een zorgkantoor bij de discretionaire bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen een afweging maken tussen het belang van handhaving van niet nagekomen verplichtingen en de gevolgen van de verlaging en terugvordering van het pgb voor de budgethouder. Hierbij is ook de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de budgethouder kan worden verweten van belang. Uit rechtspraak van de Raad vloeit ook voort dat bij deze afweging betekenis behoort toe te komen aan inkomsten, die de zorgverlener bij de belastingaangifte heeft opgegeven, indien deze in samenhang met andere feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk maken dat het pgb is besteed aan zorg (zie onder meer de uitspraken van 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2413, 16 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2093, en 19 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3961).

4.5.

Met de in hoger beroep ingezonden belastingaangifte van de dochter van 27 mei 2013, waarop staat vermeld dat van appellante in 2012 € 40.080,- is ontvangen uit loon, heeft appellante in samenhang met de overige voorhanden gegevens voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan haar dochter € 35.580,- heeft betaald voor de door haar verleende

AWBZ-zorg. Tot die gegevens behoort dat dit bedrag grosso modo overeenkomt met de salarisverplichting op grond van de met de dochter gesloten zorgovereenkomst en met de bedragen die vermeld zijn op de loonstroken van de Svb, voor zover appellante deze heeft overgelegd. Nu het Zorgkantoor niet heeft bestreden dat de zorg daadwerkelijk is verleend door de dochter en dat de contante betalingen aan haar in de jaren tot 2012 steeds zijn geaccepteerd, is het niet met een redelijke belangenafweging in overeenstemming om in de gegeven omstandigheden de aan de dochter gedane contante betalingen niet als een voldoende verantwoorde besteding van het pgb te accepteren. Gelet hierop is het beroep tegen het besluit van 2 juli 2016 gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd.

4.6.

Uit de berekeningen in het besluit van 2 juli 2016 volgt dat appellante van het aan haar verleende pgb € 37.305,03 moet verantwoorden. Uit rechtsoverweging 4.5 volgt dat zij de besteding van € 35.580,- voldoende heeft verantwoord. Dit betekent dat zij € 37.305,03 –

€ 35.580,- = € 1.725,03 niet verantwoord heeft en dat zij dit bedrag aan het Zorgkantoor moet terugbetalen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het teruggevorderde bedrag vaststellen op € 1.725,03.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het Zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Deze worden voor proceskosten begroot op € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het teruggevorderde bedrag aan pgb voor 2012 is vastgesteld op € 8.533,12;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- stelt het teruggevorderde bedrag aan pgb voor 2012 vast op € 1.725,03 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het Zorgkantoor tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 990,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM