Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
16/673 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering pgb. Op de moeder van appellante was de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing. Het Zorgkantoor was daarom op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rsa gehouden de verlening van een pgb aan appellante te weigeren. Dit betekent dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb. Het Zorgkantoor heeft in het bestreden besluit twee zorgaanbieders genoemd die aan de zorgvraag van appellante zouden kunnen voldoen. Appellante niet onderbouwd dat deze zorgaanbieders de gevraagde zorg niet kunnen bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/673 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2015, 15/179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante, wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam moeder] , heeft mr. drs. M.A.M. Karsten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Karsten en [naam moeder] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J. Cheung.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 2001, is meervoudig gehandicapt. CIZ heeft haar op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geïndiceerd voor de zorgfuncties begeleiding groep, begeleiding individueel en persoonlijke verzorging voor de periode van 21 januari 2014 tot en met 31 augustus 2019.

1.2.

Bij besluit van 8 augustus 2014, gewijzigd bij besluit van 3 oktober 2014, heeft het Zorgkantoor de aanvraag van appellante om een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 2 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat op de moeder van appellante de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is. Gelet op artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling Subsidies AWBZ (Rsa) diende het Zorgkantoor de aanvraag om verlening van een pgb af te wijzen. Voor een belangenafweging biedt de regelgeving, gelet op het dwingendrechtelijke karakter, geen ruimte. Het beroep van appellante op de uitspraken van de Raad van 21 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1488), 31 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1375) en 10 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1780) en de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 oktober 2011 (ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4289) slaagt dan ook niet. Het betoog van appellante, dat de eerder vermelde weigeringsgrond niet van toepassing is, gelet op de uitspraak van de Raad van 11 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2005), slaagt evenmin, nu voor appellante anders dan in die uitspraak wel een keuze bestaat tussen zorg in natura en een pgb.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat zij zelf geen schulden heeft en dat op haar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet van toepassing is. Aan haar kan dan ook niet de weigeringsgrond in artikel 2.6.4, eerste lid, van de Rsa worden tegengeworpen. Het Zorgkantoor heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt. De vrees dat het pgb niet wordt besteed aan het doel waarvoor het is verleend, doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank Amsterdam heeft het pgb dat toekomt aan appellante onder bewind gesteld van een professionele bewindvoerder die in staat is het pgb voor haar te beheren, te besteden en te verantwoorden. Verder voldoet zorg in natura niet aan haar zorgbehoefte, nu de thuiszorgorganisaties niet werken tijdens de uren dat zij zorg nodig heeft. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft appellante verwezen naar de uitspraken die in de aangevallen uitspraak zijn genoemd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen.

4.2.

Vaststaat dat op de moeder van appellante ten tijde in geding de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing was. Het Zorgkantoor was daarom op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rsa gehouden de verlening van een pgb aan appellante te weigeren. Dit betekent dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. De verwijzing door appellante naar de onder 2 genoemde eerste vier uitspraken treft geen doel omdat deze betrekking hebben op andere wettelijke bepalingen met een ander toetsingskader, waarbij een belangenafweging wel aan de orde.

4.3.

In de onder 2 vermelde uitspraak van 11 juni 2014 heeft de Raad over een vergelijkbare weigeringsgrond, als thans aan de orde, geoordeeld dat deze naar haar strekking ziet op situaties waarin de verzekerde een keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb en de vrees voor fraude gerechtvaardigd is. Daargelaten het antwoord op de vraag of in dit geval de vrees voor fraude gerechtvaardigd is, is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb. Het Zorgkantoor heeft in het bestreden besluit twee zorgaanbieders genoemd die aan de zorgvraag van appellante zouden kunnen voldoen. Appellante heeft haar stellingname ter zitting dat zij contact heeft opgenomen met deze zorgaanbieders en dat deze hebben meegedeeld de gevraagde zorg niet te kunnen bieden niet onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van deze zorgaanbieders. Dit brengt mee dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 11 juni 2014.

4.4.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) G.J. van Gendt

AB