Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
15/7754 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Hoofdbewonersverklaring is niet voldoende voor bewijs commerciële relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7754 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2015, 15/5712 en 15/4976 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling van het college tot vergoeding van de door appellant geleden schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Namens appellant is verschenen mr. Mathoerapersad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW), ten tijde hier van belang naar de norm voor een alleenstaande. Appellant woont samen met zijn zus in bij zijn oom

[naam L] (L).

1.2.

Bij brief van 20 april 2015 heeft het college appellant geïnformeerd over de zogenoemde kostendelersnorm en appellant verzocht om nadere informatie over zijn woonsituatie te verstrekken omdat naast appellant nog twee medebewoners staan ingeschreven op zijn adres. Om te kunnen bepalen of beide medebewoners al dan niet meetellen voor de kostendelersnorm heeft het college appellant verzocht het bij de brief gevoegde formulier in te vullen en ondertekend te retourneren, de schriftelijke overeenkomst tussen hem en L te overleggen alsook bankafschriften waaruit blijkt dat hij de laatste drie maanden huur heeft betaald aan L. Appellant heeft alleen het ingevulde en ondertekende formulier teruggezonden. Daarop heeft appellant vermeld dat zijn zus medehuurder is en L de verhuurder.

1.3.

Bij besluit van 13 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot € 594,80 per maand, zijnde 43,33% van het wettelijk minimumloon. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op appellant de in artikel 22a van de PW opgenomen kostendelersnorm van toepassing is. Omdat appellant geen gegevens heeft ingeleverd waaruit blijkt dat L met hem, onderscheidenlijk met zijn zus een commerciële relatie heeft, tellen beide personen mee voor de kostendelersnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het vijfde lid van artikel 22a van de PW is bepaald dat op verzoek van het college de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst overlegt als bewijs van de commerciële huurrelatie met een derde (huurovereenkomst). Daaraan had appellant ten tijde van het bestreden besluit niet voldaan. Het standpunt van appellant dat het college hem hierover niet goed heeft geïnformeerd, vindt geen grondslag in de stukken uit het dossier. Zo staat in de brief van 20 april 2015 dat verweerder in verband met de kostendelersnorm een aantal gegevens nodig heeft om te bepalen of er voor verzoeker iets wijzigt, waaronder de huurovereenkomst met L. Verder staat in het besluit van 13 mei 2015 dat er gegevens nodig zijn om de commerciële relatie met de verhuurder, L, te onderbouwen. Verder staat in de uitnodigingsbrief van 30 juni 2015 voor de hoorzitting vermeld: “Ik verzoek u om uw huurovereenkomst mee te nemen dan wel naar mij op te sturen”. Het had appellant dan ook voldoende duidelijk kunnen zijn, dat het college van hem een huurovereenkomst wilde ontvangen. Indien dat bij appellant tot onduidelijkheden heeft geleid, ligt het op zijn weg en die van zijn bewindvoerder om daar bij het college opheldering over te vragen. Zo had het college bijvoorbeeld gevraagd kunnen worden waarom er geen genoegen werd genomen met de hoofdbewonersverklaring. Uit het voorgaande volgt ook dat het college appellant niet nogmaals in de gelegenheid heeft hoeven stellen om de huurovereenkomst over te leggen. Nu appellant de gevraagde schriftelijke huurovereenkomst met L, waaruit de commerciële relatie blijkt, niet heeft overgelegd, heeft appellant niet aangetoond dat er per 1 juli 2015 sprake is van een commerciële huurrelatie met L.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hem niet duidelijk was wat voor huurovereenkomst, en met welke inhoud, hij had moeten overleggen. Hij vertrouwde erop dat de hoofdbewonersverklaring, die voorheen voldoende was voor het aannemen van een huurrelatie, voldeed aan de eisen. Het college had hem een voorbeeldovereenkomst moeten sturen om hem duidelijk te maken dat het nu om een document met een heel andere inhoud ging dan de hoofdbewonersverklaring.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe voor het college temeer geen aanleiding behoefde te bestaan om appellant uit zichzelf nader te informeren over de inhoud van de te overleggen huurovereenkomst of hem een voorbeeld daarvan te sturen, omdat in de brief van 20 april 2015 expliciet staat vermeld dat in het kader van de PW en het gemeentelijke beleid de te overleggen overeenkomst aan bepaalde eisen moet voldoen en voor meer informatie wordt verwezen naar een nader genoemd adres op de website van de gemeente Amsterdam.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) L.V. van Donk

HD