Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
17/3250 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

8:54

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17/3250 PW, 17/3251 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, 8:108 en 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2017, 15/7290 en 15/8068

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

Ingevolge de artikelen 8:110, tweede lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.

De termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij zijn gezonden. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De gronden van het hoger beroep zijn op 28 februari 2017 in afschrift aan appellant toegezonden.

Het beroepschrift is op 13 april 2017 per fax ontvangen.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bij schrijven van 13 juni 2017 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

Appellant heeft daarop bij brief van 30 juni 2017 geantwoord dat hij geen reden kan aanvoeren met een belang wat zwaarwichtig genoeg is om de overschrijding van de beroepstermijn te kunnen rechtvaardigen.

Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Het incidenteel hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2017.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

HD