Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
15/5854 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand i.v.m. niet gemelde activiteiten op marktplaats. Geen grondslag in verplaatsen woonplaats. Afgewezen aanvraag. Ten onrechte conclusie getrokken dat appellante haar woonadres niet op uitkeringsadres had. Dat vader van appellante zich agressief gedroeg waardoor huisbezoek moest worden afgebroken kan appellante niet worden toegerekend. College moet nieuwe bob's nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5854 WWB, 16/4339 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

23 juli 2015, 15/1348 (aangevallen uitspraak 1) en 24 mei 2016, 15/2810

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad (college)

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd (dagelijks bestuur) met ingang van 1 januari 2017 overgedragen aan het college. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellante heeft mr. J.G. van Heertum, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het college heeft verweerschriften ingediend en desgevraagd stukken ingezonden

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heertum. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Königs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 14 mei 2010 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond sinds 20 juli 2011 in de gemeentelijke basisadministratie, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [adres 3] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante met [naam] (M) woont aan de [adres 2] , heeft een sociaal rechercheur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij de woningbouwvereniging, de verbruiksgegevens van het uitkeringsadres en het adres van M opgevraagd, waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van M en appellante op

23 juni 2014 gehoord. Naar aanleiding van de op de door appellante overgelegde bankafschriften gebleken transacties via Marktplaats.nl (Marktplaats) heeft de sociaal rechercheur gegevens gevorderd bij Marktplaats B.V. Hieruit blijkt dat appellante sinds oktober 2005 advertenties plaatst op Marktplaats en dat zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 25 juni 2014 643 advertenties heeft geplaatst. Op 7 juli 2014 heeft de sociaal rechercheur appellante nogmaals gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 juli 2014.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 8 augustus 2014, voor zover hier van belang en na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij besluit van

27 maart 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.972,67 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van haar verkoopactiviteiten op Marktplaats en dat in verband daarmee het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante met ingang van 1 februari 2014 niet langer haar hoofdverblijf in [gemeente 1] heeft.

1.4.

Appellante heeft zich op 26 augustus 2014 gemeld voor het aanvragen van bijstand. Op 29 september 2014 heeft een intakegesprek plaatsgevonden en heeft appellante de aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding van de melding heeft een sociaal rechercheur onderzoek gedaan naar de woon- en verblijfplaats van appellante. In dat kader heeft de sociaal rechercheur in de periode van 22 tot en met 29 september 2014 waarnemingen in de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van M verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2014.

1.5.1.

Nadat appellante tijdens het in 1.4 genoemde intakegesprek mondeling is meegedeeld dat haar aanvraag zal worden afgewezen, heeft zij zich op 30 september 2014 opnieuw gemeld voor het aanvragen van bijstand en heeft zij deze aanvraag op 24 oktober 2014 ingediend. Naar aanleiding van deze tweede aanvraag om bijstand heeft de sociaal rechercheur wederom onderzoek gedaan naar de woon- en verblijfplaats van appellante. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 22 december 2014. Hieruit blijkt dat de sociaal rechercheur onder meer waarnemingen heeft verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en het adres van M. Op 15 december 2014 om 07.10 uur hebben de sociaal rechercheur en een inkomensconsulent een onaangekondigd huisbezoek op het adres van M afgelegd. Appellante is op dit adres aangetroffen maar verklaarde niet mee te willen werken aan het huisbezoek omdat het niet haar woning was. Zij heeft vervolgens M gebeld, die de sociaal rechercheur en de inkomensconsulent telefonisch te woord heeft gestaan. M heeft geen toestemming tot het betreden van de woning gegeven. M verklaarde wel dat hij zijn woning had ingericht voor de kinderen van appellante maar dat appellante in [gemeente 1] woonachtig is. Vervolgens hebben de sociaal rechercheur en de inkomensconsulent aan appellante gemeld dat zij aansluitend een aangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres wilden afleggen.

1.5.2.

Op 15 december 2014 om 08.10 uur hebben de sociaal rechercheur en de inkomensconsulent vervolgens aangebeld bij de woning op het uitkeringsadres. Zij hoorden dat een vrouwenstem ‘pa’ riep en zagen dat de voordeur werd geopend door de vader van appellante. De sociaal rechercheur en de inkomensconsulent hebben het huisbezoek afgebroken omdat de vader van appellante een agressieve houding aannam.

1.5.3.

Appellante heeft op 15 december 2014 om 09.06 uur het volgende e-mailbericht aan de inkomensconsulent verzonden:

“[…] wilde net een huisbezoek, maar mijn vader en ik zetten niet in het donker een handtekening en ook niet voordat mijn advocaat er naar heeft gekeken. Met 5 keer zeggen dat die binnen mag komen en toch de rug toe keren en met volle vaart wegrijden dat kon die wel. Graag nodig ik hem vandaag nog uit voor bezoek. […]”.

1.6.1.

Bij besluit van 12 november 2014 heeft het college de aanvraag van appellante van

29 september 2014 (aanvraag 1) afgewezen.

1.6.2.

Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college de aanvraag van appellante van

24 oktober 2014 (aanvraag 2) afgewezen.

1.6.3.

Bij besluit van 7 augustus 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 12 november 2014 en van 22 december 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft. Daarbij heeft het college aan de afwijzing van aanvraag 2 tevens ten grondslag gelegd dat appellante met de weigering van haar medewerking aan het huisbezoek op 15 december 2014 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in [gemeente 1] heeft.

1.7.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag heeft het college aan appellante met ingang van 6 januari 2015 wederom bijstand toegekend.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspaak 1 (intrekking en terugvordering)

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 8 augustus 2014 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Marktplaatsactiviteiten

4.3.

Appellante betwist niet dat zij in de te beoordelen periode kleding en andere goederen heeft verkocht via Marktplaats. Gelet op het verhandelde ter zitting betwist appellante niet langer dat geen sprake is van incidentele verkoop van kleding en andere goederen en dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van deze verkoopactiviteiten.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellante heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft van de in- en verkoop geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. Het betoog van appellante dat de inkomsten uit de marktplaatsactiviteiten kunnen worden vastgesteld door de 59 op haar bankrekening ontvangen bijschrijvingen van derden op te tellen, slaagt niet. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt weliswaar van bijschrijvingen van derden, maar hieruit blijkt niet dat uitsluitend via bankoverschrijvingen werd betaald. Dit klemt te meer nu het aantal advertenties het aantal bijschrijvingen ver overschrijdt. Verder is van belang dat uit de gedingstukken blijkt van aankopen van appellante via Marktplaats die contant zijn betaald.

4.6.1.

Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat het college op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand schattenderwijs had moeten vaststellen. In dat verband heeft zij gewezen op het aantal advertenties en op de gemiddelde verkoopprijs per artikel (van de artikelen waarbij een vraagprijs staat vermeld). Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Daartoe is het volgende van belang.

4.6.2.

Indien na schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, is het bijstandverlenend orgaan gehouden zo mogelijk schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene, voortvloeiend uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten (uitspraak van

27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852).

4.6.3.

Nu appellante heeft verzuimd om het college direct op de hoogte te stellen van de marktplaatsactiviteiten en de daarmee verworven inkomsten, lag het op haar weg om daartoe concrete en verifieerbare gegevens over te leggen. Zij heeft dit nagelaten. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante diverse goederen heeft aangeboden. Anders dan appellante heeft betoogd bestaat er, gelet op de variatie in prijs en aanbod en het gegeven dat bij een aanzienlijk aantal van de advertenties geen vraagprijs is vermeld, ook achteraf grote onduidelijkheid over de omvang van de marktplaatsactiviteiten en de daaruit verworven inkomsten. Dit betekent dat het niet mogelijk is om aan de hand van een gemiddelde vraagprijs, via een reconstructie, schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand te komen.

4.6.4.

Uit 4.2 tot en met 4.6.3 volgt dat gelet op de marktplaatsactiviteiten van appellante het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen.

Woonplaats

4.7.

Uit bestreden besluit 1 blijkt dat het college tevens heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand vanaf 1 februari 2014 wel is vast te stellen, te weten op nihil. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de te beoordelen periode vanaf 1 februari 2014 geen woonplaats meer heeft in de gemeente [gemeente 1] .

4.8.1.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de

artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:BT8937) is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de WWB voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.8.2.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 1 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2015:3099.

4.9.

De beroepsgrond van appellante dat zij niet aan de door haar op 23 juni 2014 tegenover de sociaal rechercheur en de klantmanager afgelegde verklaring mag worden gehouden omdat zij deze niet heeft ondertekend, en omdat het verslag niet op ambtseed is opgemaakt, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan zijn tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring worden gehouden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft een concrete en gedetailleerde verklaring afgelegd. Deze verklaring is aan het einde van het gesprek aan appellante voorgelezen, zij heeft hierop een correctie aangebracht en heeft volhard in haar verklaring. Daarna hebben de sociaal rechercheur en de klantmanager vermeld dat de verklaring naar waarheid is opgemaakt en hebben zij de verklaring getekend. De enkele omstandigheid dat appellante haar verklaring niet heeft ondertekend is ontoereikend om haar niet aan de tegenover de sociaal rechercheur en de klantmanager afgelegde verklaring te houden.

4.10.1.

De verklaring van appellante van 23 juni 2014, biedt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante met ingang van 1 februari 2014 haar woonplaats niet meer in de gemeente [gemeente 1] had. Appellante heeft er terecht op gewezen dat haar verklaring niet eenduidig is over haar verblijf bij M. Zij heeft verklaard dat zij haar hoofdverblijf in de woning van M heeft en dat zij daar vaak slaapt. Op de vraag hoe vaak zij op het adres van M is en blijft slapen heeft zij verklaard daar zeker vier dagen per week te zijn en daar dan ook te blijven slapen. Uit deze verklaring van appellante volgt wel dat zij voornamelijk bij M verbleef, maar uit haar verklaring volgt ook dat zij regelmatig terugkeerde naar haar eigen huis in [gemeente 1] . Appellante heeft namelijk verder verklaard dat zij overdag altijd in haar eigen huis in [gemeente 1] is. Haar oudste kind gaat in [gemeente 1] naar school en haar jongste kind moet tussen de middag slapen. Zij doet boodschappen in [gemeente 1] . Uit de gedingstukken blijkt verder dat appellante regelmatig pinde in [gemeente 1] . Verder bieden de gegevens van het waterverbruik van het uitkeringsadres geen ondersteuning voor de conclusie dat appellante daar niet woonde. De waarnemingen zijn daartoe evenmin toereikend omdat hieruit juist blijkt dat appellante regelmatig in [gemeente 1] verbleef. Dat appellante op een drietal momenten in mei en juni 2014 door de huismeester van de woningbouwvereniging niet is aangetroffen in haar woning op het uitkeringsadres is evenmin toereikend. Daarbij komt dat uit de door appellante in bezwaar overgelegde verklaring van de postbezorger van PostNL blijkt dat appellante negen van de tien keer thuis is aangetroffen.

4.10.2.

Met de in 4.10.1 geschetste feiten en omstandigheden heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellante het centrum van haar maatschappelijk leven in de te beoordelen periode vanaf 1 februari 2014 of op enig moment daarna heeft verplaatst van [gemeente 1] naar [gemeente 2] . Het enkele feit dat appellante voornamelijk in [gemeente 2] was, is onvoldoende om aan te nemen dat zij haar woonstede in [gemeente 1] heeft prijsgegeven.

4.11.

Uit 4.10.1 en 4.10.2 volgt dat bestreden besluit 1, voor zover aan de intrekking ten grondslag is gelegd dat appellante vanaf 1 februari 2014 geen woonplaats meer heeft in [gemeente 1] en geen recht op bijstand heeft, niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om aangevallen uitspraak 1 te vernietigen. Het motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van bestreden besluit 1 niet is benadeeld. Uit 4.6.4 volgt immers dat gelet op de marktplaatsactiviteiten van appellante het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen en het college was daarom gehouden de bijstand van appellante in de te beoordelen periode in te trekken.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat aangevallen uitspraak 1 in zoverre moet worden bevestigd met verbetering van gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan

artikel 6:22 van de Awb.

4.13.

Appellante heeft geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.

Aangevallen uitspraak 2 (aanvragen 1 en 2)

Aanvraag 1

4.14.

De te beoordelen periode loopt van 26 augustus 2014 (datum melding) tot en met

12 november 2014 (datum afwijzingsbesluit).

4.15.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand ten grondslag ligt dat appellante in de te beoordelen periode geen woonplaats heeft in de gemeente [gemeente 1] .

4.16.

Uit 4.10.1 en 4.10.2 volgt dat het college bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag om bijstand ten onrechte als vertrekpunt heeft genomen dat appellante vanaf 1 februari 2014 haar woonplaats buiten [gemeente 1] had. Verder heeft appellante tijdens haar intakegesprek op

29 september 2014 verklaard dat zij nog maar twee nachten per week bij M slaapt. Tijdens dit gesprek is onvoldoende doorgevraagd over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante in de hier te beoordelen periode. Dat appellante tijdens de waarnemingen in deze periode niet in [gemeente 1] is gezien, is ontoereikend voor de conclusie dat zij haar woonplaats niet in [gemeente 1] had. Daarbij is van belang dat de auto waarvan appellante gebruik maakt wel een aantal keren bij het uitkeringsadres is aangetroffen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante ook in deze periode pintransacties deed in [gemeente 1] . Verder geldt ook voor deze periode dat het waterverbruik geen ondersteuning biedt voor de conclusie dat appellante daar niet woonde.

4.17.

Uit 4.16 volgt dat bestreden besluit 2, voor zover het betreft de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 29 september 2014, een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Aanvraag 2

4.18.

De hier te beoordelen periode loopt van 30 september 2014 (datum melding) tot en met 22 december 2014 (datum afwijzingsbesluit).

4.19.

Aan de afwijzing van aanvraag 2 heeft het college eveneens ten grondslag gelegd dat appellante geen woonplaats in [gemeente 1] had. Gelet op 4.14 en 4.17 berust de afwijzing van aanvraag 2 over de periode van 30 september 2014 tot en met 12 november 2014 op dezelfde ondeugdelijke grondslag.

4.20.1.

Aan bestreden besluit 2, voor zover het betreft de afwijzing van aanvraag 2, heeft het college tevens ten grondslag gelegd dat appellante geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek van 15 december 2014. Appellante heeft betwist dat zij haar medewerking aan het huisbezoek heeft geweigerd.

4.20.2.

Het huisbezoek op 15 december 2014 is niet volledig geweest. Zoals in 1.5.2 is vermeld, is de reden voor het voortijdig afbreken van het huisbezoek geweest dat de sociaal rechercheur en de inkomensconsulent bij de voordeur van de woning op het uitkeringsadres op een agressieve wijze zijn bejegend door de vader van appellante. Het college heeft appellante dit aangerekend. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt niet dat appellante het huisbezoek heeft geweigerd. Verder valt het gedrag van de vader van appellante, wat daar ook van zij, niet binnen de risicosfeer van appellante (vergelijk de uitspraak van 21 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2440). Het college heeft weliswaar gesteld dat appellante had kunnen ingrijpen, maar heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarbij heeft appellante direct na het voortijdig afbreken van het huisbezoek aan de inkomensconsulent bij het in 1.5.3 genoemde e-mailbericht laten weten dat zij haar medewerking aan een huisbezoek wil verlenen. Dit betekent dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante haar medewerking aan het huisbezoek heeft geweigerd.

4.21.

Uit 4.19 tot en met 4.20.2 volgt dat bestreden besluit 2, voor zover het betreft de afwijzing van aanvraag 2, eveneens een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.22.

Uit 4.17 en 4.21 volgt dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit, voor zover het betreft de afwijzing van aanvraag 1 en de afwijzing van aanvraag 2, vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college zal worden opgedragen om, wat aanvraag 1 en aanvraag 2 betreft, nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.23.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college nieuw te nemen besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante in beide procedures. Deze worden begroot op € 1.980,- in beroep en € 1.485,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 3.465,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt het college op nieuwe beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 12 november

2014 en 22 december 2014 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat

beroep tegen de te nemen besluiten slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.465,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G.M.G. Hink en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A. Mansourova

HD