Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2644

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
15/8249 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte gezamenlijke huishouding aangenomen. Ten onrechte afgewezen aanvraag. Aspecten van wederzijdse zorg van onvoldoende betekenis omdat frequentie niet is vast komen te staan en lijkt incidenteel. Vergoeding rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

15/8249 WWB, 15/8250 WWB, 17/2817 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

9 november 2015, 15/1454, 15/1473 (aangevallen uitspraak I) en van 14 februari 2017, 16/1937 (aangevallen uitspraak II) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroepen ingesteld, een verzoek om vergoeding van schade gedaan en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.1.

Appellant heeft zich op 29 juli 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft de aanvraag op 29 augustus 2014 ingediend.

1.1.2.

Bij besluit van 17 oktober 2014 (besluit I) heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.2.1.

Appellant heeft zich op 30 oktober 2014 opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Hij heeft deze aanvraag op 11 november 2014 ingediend.

1.2.2.

Bij besluit van 2 december 2014 (besluit II) heeft het college ook de aanvraag van

11 november 2014 afgewezen.

1.3.1.

Appellant heeft zich vervolgens op 15 december 2014 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Hij heeft deze aanvraag op 6 januari 2015 ingediend.

1.3.2.

Bij besluit van 7 januari 2015 (besluit III) heeft het college ook deze aanvraag afgewezen.

1.4.1.

Appellant heeft zich op 11 januari 2016 opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Deze aanvraag heeft hij op 29 januari 2016 ingediend.

1.4.2.

Bij besluit van 12 februari 2016 (besluit IV) heeft het college ook deze aanvraag afgewezen.

1.5.1.

Het college heeft het tegen besluit I gerichte bezwaar bij besluit van 13 april 2015 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 13 april 2015 (bestreden besluit II) heeft het college ook de tegen de besluiten II en III gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Bij besluit van 13 mei 2016 (bestreden besluit III) heeft het college tot slot het tegen besluit IV gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.2.

Aan bestreden besluit I ligt ten grondslag dat appellant niet kan worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand omdat hij op het door hem opgegeven adres een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [naam] (W). Aan de bestreden besluiten II en III ligt ten grondslag dat appellant en W bij besluit I als gehuwden zijn aangemerkt. Gelet hierop en gelet op het feit dat appellant en W hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, wordt op grond van artikel 3, lid 4, onder a, van de WWB een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht en is appellant dus geen zelfstandig subject van bijstand.

2. Bij aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit III ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in het geval van de hier aan de orde zijnde aanvragen in alle vier de gevallen van de datum melding tot en met de datum van het afwijzingsbesluit. Voor de eerste hier aan de orde zijnde aanvraag betreft dat de periode van 29 juli 2014 tot en met 17 oktober 2014 (periode I). De Raad zal zich hierna in eerste instantie beperken tot periode I, omdat enerzijds niet in geschil is dat, indien bestreden besluit I stand houdt, ook de bestreden besluiten II en III stand houden en anderzijds niet in geschil is dat, indien bestreden besluit I geen stand houdt, met ingang van 29 juli 2014 alsnog bijstand moet worden toegekend.

4.2.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of appellant en W in periode I een gezamenlijke huishouding voerden. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode hoofdverblijf had in de woning van W. In geschil is of voldaan is aan het criterium van de wederzijdse zorg.

4.4.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van verstrengeling tussen de betrokkene die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.5.

In bestreden besluit I komt niet tot uitdrukking wat de wederzijdse zorg in periode I volgens het college precies inhield. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting van de Raad desgevraagd toegelicht dat de zorg van appellant voor W bestond uit de zorgelementen zoals die uit de door appellant op 9 oktober 2014 ten overstaan van een sociaal rechercheur afgelegde verklaring naar voren komen. In het daarvan opgemaakte 'Rapport van verhoor' staat onder andere het volgende:

" [naam] is analfabeet en kan niet lezen of schrijven. Ik lees haar post, zij maakt dat dan open en vraagt mij of ik haar wil helpen en wil kijken wat er in de brief staat. Zij krijgt ook wel eens post waar ook mijn naam in genoemd wordt. De belastingdienst gaat namelijk uit van de gegevens die zij van de gemeente krijgen en de gemeente heeft mij ambtshalve ingeschreven bij haar. Ik beantwoord die brieven dan ook voor haar omdat zij niet kan lezen of schrijven. (…)

Ik doe wel eens wat gras tussen de stenen weghalen in de tuin (…)

Ik ga wel eens met [naam] mee boodschappen doen en dan hoofdzakelijk als zij zware boodschappen moet doen. Dat komt maar heel weinig voor."

Uit deze verklaring blijkt niet (precies) hoe vaak het voorkwam dat appellant de post van W las, brieven voor haar beantwoordde, het gras tussen de stenen weghaalde of W hielp met het doen van de boodschappen. Niet duidelijk is hoeveel post W ontving en hoe vaak appellant haar daarbij hielp. Het verwijderen van gras en het helpen met boodschappen lijkt incidenteel te zijn voorgekomen. Dat is niet van zodanig gewicht dat moet worden aangenomen dat appellant zorg verleende aan W. Omdat het ontbreken van zorg van appellant voor W tot gevolg heeft dat de zorg hoe dan ook niet wederzijds kan zijn, behoeft de vraag of W zorg verleende aan appellant hier geen beantwoording.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraken moeten gelet hierop worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - mede gelet op 4.1 - de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten I, II en III vernietigen. De vraag is welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Zoals in 4.1 is overwogen, heeft het college het standpunt ingenomen dat, indien de hoger beroepen gegrond worden verklaard, appellant alsnog met ingang van 29 juli 2014 in aanmerking dient te komen voor bijstand. Dit betekent nog niet dat de Raad zelf in de zaak kan voorzien. Het college heeft zich namelijk tevens op het standpunt gesteld dat er in deze zaak aanleiding bestaat om de bijstand nader af te stemmen. De Raad ziet daarom aanleiding het college opdracht te geven opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.7.

De door appellant gevraagde veroordeling tot vergoeding van schade zal worden toegewezen. Deze bestaat uit de wettelijke rente over de door het college te verrichten nabetalingen. Dit betreft periodiek te verrichten betalingen van bijstand. Voor het tijdstip waarop deze moeten worden verricht, gelden geen specifieke algemeen verbindende voorschriften anders dan de algemene bepalingen van titel 4.4 van de Awb. Dan geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958) dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op het tijdvak waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning is verstreken. Bij de berekening van de wettelijke rente moet telkens worden uitgegaan van het bruto-bedrag van de betrokken termijn. Voor iedere termijn afzonderlijk dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

4.8.

De aanvraag is ontvangen op 29 augustus 2014. De beslistermijn bedroeg acht weken te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Dit betekent dat de wettelijke rente over de termijnen van 29 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2014 is ingegaan op

1 november 2014. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand.

5. Tevens ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden, gezien het feit dat het hier om samenhangende zaken gaat, begroot op

€ 1.980,- in bezwaar, € 1.980,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.950,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken I en II;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 13 april 2015 en het besluit van 13 mei 2016;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe beslissingen te nemen op

de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 oktober 2014, 2 december 2014,

7 januari 2015 en 12 februari 2016 en bepaalt dat beroep tegen die besluiten slechts bij de

Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college tot vergoeding van schade als bepaald in 4.7 en 4.8;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.950,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 338,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M. Pasmans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD