Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
16/3252 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1948, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete in verband met verzwegen werkzaamheden en inkomsten bij universiteit. Opzet aangetoond. Uit verklaring blijkt dat appellante inkomsten heeft verzwegen omdat ze geld te kort kwam. Eerdere periode van inkomsten verzwijgen. Willens + wetens niet nakomen van inlichtingenverplichting. Geen verminderde verwijtbaarheid op grond van persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 3252 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 maart 2016, 15/6885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

Datum uitspraak: 1 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Namens appellante is

mr. Verhagen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.V. Suijkerbuik en M.A.A. Govers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 2005 is appellante op freelancebasis werkzaam als [functie] bij de [universiteit] (universiteit).

1.2.

Bij besluit van 25 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2011, heeft de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie) de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2009 tot en met 30 april 2010 herzien en de over deze periode te veel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.505,40 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de commissie tevens bij wijze van maatregel de bijstand van appellante in april 2011 verlaagd met een bedrag van € 400,-. Aan de besluitvorming heeft de commissie ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van de door haar ontvangen inkomsten uit werkzaamheden bij de universiteit.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juni 2014, heeft de commissie de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2010 (lees: 1 mei 2010) tot en met 30 april 2013 herzien en de als gevolg van deze herziening te veel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.039,32 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante in de genoemde periode, evenals in de in 1.2 genoemde periode, inkomsten uit werkzaamheden bij de universiteit heeft ontvangen waarvan zij geen melding heeft gemaakt. De Raad heeft bij uitspraak van 16 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3118, de uitspraak van de rechtbank van 30 januari 2015, 14/4696, bevestigd waarin de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2014 ongegrond heeft verklaard.

1.4.

Bij besluit van 22 april 2015 heeft het college aan appellante een boete opgelegd van

€ 1.899,32 in verband met de schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van de inkomsten in de periode van 1 januari 2010 (lees: 1 mei 2010) tot en met 30 april 2013. Bij besluit van 9 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat de hoogte van de boete deels moet worden beperkt tot de tot 1 januari 2013 van toepassing zijnde Maatregelen- en Handhavingsverordering 2012, en het bedrag van de boete nader vastgesteld op € 1.808,65. Daarbij is het college voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van opzet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, het volgende aangevoerd. Ten onrechte is het college bij het opleggen van de boete uitgegaan van opzet. Door bijzondere omstandigheden is in haar geval sprake van verminderde verwijtbaarheid. Appellante heeft namelijk door onrechtmatig handelen van het college gedurende meerdere maanden in 2009 ten onrechte geen of tot een te laag bedrag bijstand ontvangen. Daardoor is appellante in betalingsproblemen geraakt en heeft zij veel schulden opgebouwd. Om al deze schulden in te lossen heeft appellante werkzaamheden verricht waaruit zij inkomsten heeft verkregen die zij niet heeft gemeld aan het college. Dit heeft zij uitsluitend gedaan om de schulden het hoofd te kunnen bieden. Daarvan kan appellante subjectief niet volledig een verwijt worden gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante de inkomsten uit haar werkzaamheden voor de universiteit niet heeft gemeld en daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Evenmin is in geschil dat haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Tussen partijen is de mate van verwijtbaarheid in geschil en daarmee de vraag of het college de hoogte van de boete terecht heeft vastgesteld op € 1.808,65.

4.2.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12 en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit), zoals dit per 1 januari 2017 luidt.

4.3.1.

Artikel 2a, eerste lid van het Boetebesluit bepaalt dat bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

4.3.2.

Ingevolge artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit leiden bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

“a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;

c. (…).”

4.3.3.

In het vierde lid van artikel 2a van het Boetebesluit is, voor zover van belang, bepaald dat de volgende criteria kunnen leiden tot opzet:

“a. betrokkene heeft al dan niet in het kader van een handhavingsonderzoek, zelf aangegeven en toegegeven dat hij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen om te voorkomen dat hij een lagere uitkering zou ontvangen of de uitkering zou verliezen:

b. het verzwijgen van werkzaamheden of uitbreiding van de werkzaamheden en daarmee gemoeide inkomsten, of

c. (…).”

4.4.

Het college is bij de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van opzet. Uit de verklaring van appellante van 23 mei 2013 blijkt dat zij haar inkomsten uit de werkzaamheden voor de universiteit niet heeft doorgegeven omdat zij maandelijks geld tekort kwam. Appellante heeft verder verklaard dat zij wist dat zij inkomsten moest melden. Daarbij heeft het college over de voorgaande jaren de bijstand van appellante ook herzien en teruggevorderd op de grond dat zij haar inkomsten uit werkzaamheden voor de universiteit niet had gemeld. Uit de verklaring van appellante blijkt dat zij bewust geen melding heeft gemaakt van haar inkomsten. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting willens en wetens niet is nagekomen en dat daarmee sprake is van opzet.

4.5.

Met wat in 4.4 is overwogen is gegeven dat het beroep van appellante op verminderde verwijtbaarheid geen doel treft. De door appellante geschetste financiële omstandigheden, waaronder achteraf onrechtmatig gebleken door het college opgelegde maatregelen, die haar ertoe hebben bewogen bewust geen melding te maken van de inkomsten voor haar werkzaamheden bij de universiteit, betekenen op zichzelf niet dat van een lagere verwijtbaarheidscategorie dan de door het college gehanteerde moet worden uitgegaan. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld aan de hand van concrete medische stukken, dat deze omstandigheden emotioneel zo ontwrichtend waren dan wel dat zij in een zodanige geestelijke toestand verkeerde dat haar niet volledig valt toe of aan te rekenen dat zij de inlichtingen over de door haar verkregen inkomsten uit werkzaamheden niet tijdig heeft verstrekt. Van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het Boetebesluit is daarom geen sprake.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad acht de door het college opgelegde boete evenredig. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G.M.G. Hink en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A. Mansourova

HD