Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
15/2505 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een WGA-uitkering, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Uit de beroepsgrond van appellant in hoger beroep, dat hij op 12 mei 2015 opnieuw is geopereerd aan zijn rechter elleboog, kan niet worden afgeleid dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen, omdat dit ruim na de datum in geding is. Over de psychische klachten van appellant wordt overwogen dat de verzekeringsartsen de depressieve stoornis, waarmee appellant sinds 2012 kampt, als matig ernstig hebben ingeschat. Appellant is op basis daarvan mild beperkt ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2505 WIA

Datum uitspraak: 28 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 maart 2015, 14/3583 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 juni 2017. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker lakkerij, heeft zich in verband met klachten aan de rechter elleboog op 22 juni 2004 ziek gemeld. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellant per einde wachttijd geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft zich op 28 augustus 2008 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld in verband met klachten aan zijn ellebogen en polsen, zijn rechter schouder en linker knie. Aan appellant is per 28 augustus 2008, tot 19 oktober 2008, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Deze uitkering is nadien omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant ontving laatstelijk per 30 augustus 2010 op basis van lichamelijke en psychische klachten een

WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,93%.

1.2.

Bij formulier van 22 juli 2013 heeft appellant het Uwv gemeld dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij sinds 27 november 2012 in behandeling is van een Centrum voor Interculturele Psychiatrie.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 november 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 22 januari 2014 geen recht heeft op een WGA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit ligt een rapport van 17 oktober 2013 van een verzekeringsarts ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant in zijn belastbaarheid beperkt is wegens een depressieve stoornis, matig ernstig, zonder psychotische kenmerken en gegeneraliseerde artrose. De verzekeringsarts heeft verder overwogen dat er geen goede redenen zijn om appellant toegenomen beperkt te achten ten opzichte van de laatste medische beoordeling in 2010. Appellant is aangewezen op arbeid overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juni 2010. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een FML van 17 oktober 2013. Een arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit op basis van de voor appellant geselecteerde functies vastgesteld op 31,13%.

1.4.

Bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn bevindingen ter hoorzitting en dossieronderzoek geconcludeerd dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 11 juni 2010, nader beschreven in de FML van 11 oktober 2013, geen aanpassing behoeft. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien anders te concluderen dan de arbeidsdeskundige.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht en is tot het oordeel gekomen dat er geen reden is tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Daartoe heeft zij overwogen dat de verzekeringsartsen de door appellant naar voren gebrachte klachten en de beschikbare medische informatie van de behandelaars op een deugdelijke en kenbare wijze hebben betrokken bij de medische beoordeling en hun conclusies over de belastbaarheid van appellant overtuigend hebben gemotiveerd. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat appellant geen medische gegevens heeft ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan het medisch oordeel. Uit de omstandigheid dat appellant inmiddels is doorverwezen naar een orthopedisch chirurg volgt niet dat appellant ten tijde in geding ernstiger beperkt was. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de functie magazijn, expeditie medewerker (sbc-code 111220) dient te vervallen voor de schatting, omdat deze functie, gelet op de daarin voorkomende belasting ten aanzien van duwen of trekken, in medisch opzicht niet passend is voor appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voldoende voor appellant geschikte functies resteren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd lager ligt dan 35%.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat de verzekeringsartsen de ernst van zijn lichamelijke en psychische klachten hebben miskend. Hij heeft toegelicht dat hij wegens toegenomen klachten op 12 mei 2015 opnieuw is geopereerd aan zijn rechter elleboog door orthopedisch chirurg D. Eyendaal. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Wegens zijn beperkingen acht appellant zich niet in staat de resterende aan hem voorgehouden functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen waarop dat oordeel berust worden onderschreven. De verzekeringsartsen hebben in hun rapporten deugdelijk gemotiveerd dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar voren komt dat de klachten van appellant van het houdings- en bewegingsapparaat de laatste jaren niet noemenswaardig zijn veranderd. Appellant is voor deze klachten na 2010 niet meer in behandeling geweest bij zijn huisarts of een specialist. Uit de beroepsgrond van appellant in hoger beroep, dat hij op 12 mei 2015 opnieuw is geopereerd aan zijn rechter elleboog, kan niet worden afgeleid dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen, omdat dit ruim na de datum in geding is. Over de psychische klachten van appellant wordt overwogen dat de verzekeringsartsen de depressieve stoornis, waarmee appellant sinds 2012 kampt, als matig ernstig hebben ingeschat. Appellant is op basis daarvan mild beperkt ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsartsen hebben meegewogen dat appellant nog voldoende initiatieven ontplooit en overdag nog voldoende actief is en ruime sociale contacten binnen de Turkse gemeenschap onderhoudt. De verzekeringsartsen hebben geen reden gezien om appellant op grond van zijn psychische problematiek verdergaand beperkt te achten dan vastgelegd in de FML van 11 juni 2011, zoals nader omschreven in de FML van 17 oktober 2013. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingezonden die zijn standpunt onderbouwen dat hij ernstiger beperkt is. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige.

4.2.

In wat appellant in hoger beroep heeft gesteld ziet de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling onjuist te achten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de belasting in de resterende aan appellant voorgehouden functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant en dat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.

4.3.

Uit het in 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB