Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
16/1602 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor sterkere accu’s voor elektrische rolstoel terecht afgewezen. Appellante is met de aan haar verstrekte elektrische rolstoel, in combinatie met de mogelijkheid om gebruik te maken van de regiotaxi, voldoende is gecompenseerd in haar lokale vervoersbehoefte en maatschappelijke participatie. Met deze combinatie van toegekende voorzieningen kan zij zich zowel over de korte als de wat langere afstanden vervoeren. Niet valt in te zien dat zij met deze combinatie haar vrijwilligerswerk niet (goed) kan uitvoeren of dat zij op deze wijze haar contacten met vrienden en bekenden in de regio niet zou kunnen onderhouden. Geen toezeggingen gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1602 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 februari 2016, 15/1630 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.V.L. Kicken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kicken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.I.K. Selen-Boers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een elektrische rolstoel toegekend, ter vervanging van haar oude elektrische rolstoel. Op 22 september 2014 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor sterkere accu’s voor haar elektrische rolstoel of voor vervanging van de elektrische rolstoel, omdat zij de actieradius van de elektrische rolstoel te laag vindt.

1.2.

Bij besluit van 17 november 2014, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 21 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante met de toegekende elektrische rolstoel, met een actieradius van 25 tot 30 kilometer, in voldoende mate wordt gecompenseerd in haar beperkingen. Hierbij is overwogen dat de elektrische rolstoel is bedoeld voor het afleggen van korte afstanden en dat appellante voor de langere afstanden gebruik kan maken van het collectief vervoer, in de vorm van de regiotaxi.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante met de aan haar verstrekte elektrische rolstoel, met de bestaande actieradius van 25 tot 30 kilometer, voldoende gecompenseerd in haar lokale vervoersbehoefte en maatschappelijke participatie. Niet is gebleken dat appellante is aangewezen op een elektrische rolstoel met een actieradius van 40 kilometer. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voor het vervoer over langere afstanden de regiotaxi, met gebruikmaking van de elektrische rolstoel, terecht als een adequate voorziening heeft aangemerkt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking moet komen voor een elektrische rolstoel met een actieradius van ten minste 40 kilometer. Volgens appellante is aanvankelijk aan de zijde van het college ingestemd met het feit dat appellante een elektrische rolstoel met een actieradius van ten minste 40 kilometer nodig heeft. Appellante heeft verder aangevoerd dat haar situatie niet kan worden vergeleken met de situatie waarbij het gaat om de actieradius van een scootmobiel, omdat een scootmobiel in een andere vervoersbehoefte voorziet. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:636. Ten slotte heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de regiotaxi niet tegemoet komt aan haar specifieke vervoersbehoefte en dat het gebruikmaken van de regiotaxi haar in haar zelfstandigheid beperkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4 van de Wmo, zoals van toepassing ten tijde van belang, verplicht het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante met de aan haar verstrekte elektrische rolstoel, in combinatie met de mogelijkheid om gebruik te maken van de regiotaxi, voldoende is gecompenseerd in haar lokale vervoersbehoefte en maatschappelijke participatie. Met deze combinatie van toegekende voorzieningen kan zij zich zowel over de korte als de wat langere afstanden vervoeren. Niet valt in te zien dat zij met deze combinatie haar vrijwilligerswerk niet (goed) kan uitvoeren of dat zij op deze wijze haar contacten met vrienden en bekenden in de regio niet zou kunnen onderhouden.

4.3.

De Raad acht de door appellante genoemde praktische bezwaren tegen het gebruik van de regiotaxi niet zodanig zwaarwegend dat zij daarmee – voor de langere afstanden – niet voldoende wordt gecompenseerd in haar vervoersbehoefte. Niet aannemelijk is gemaakt dat de regiotaxi zodanig gebrekkig functioneert dat dit, in de concrete omstandigheden van appellante, niet als een adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.4.

Gelet op wat hiervoor is overwogen hoeft de grond van appellante dat haar situatie niet vergelijkbaar is met de situatie waarin het de actieradius van een scootmobiel betreft, niet meer te worden besproken.

4.5.

Ten slotte ziet de Raad in het dossier geen aanknopingspunten dat aan appellante (vanuit het college) zou zijn toegezegd dat zij is aangewezen op een electrische rolstoel met een actieradius van tenminste 40 kilometer. Appellante heeft niet (met stukken) onderbouwd dat van de kant van het college uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij haar gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.S.E.S. Umans

AB