Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
16/4942 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De weigering van appellant om gehoor te geven aan de opdracht tot werkhervatting kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Afwijzing verzoek om vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4942 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 juli 2016, 15/1529 en 15/4918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

Datum uitspraak: 27 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J. Weekers hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weekers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. van der Bent.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 januari 2011 werkzaam als [functie 1] bij de [onderdeel] . Bij besluit van 24 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2013, heeft de minister aan appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij uitspraak van 12 september 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:17161) heeft de rechtbank het beroep tegen het ontslag gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2013 in zoverre vernietigd, het besluit van 24 april 2013 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 12 december 2013. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van immateriële schade door de rechtbank is afgewezen. Bij uitspraak van 24 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1060) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Naar aanleiding van de in 1.1 genoemde uitspraak van de rechtbank is de minister eind september 2014 met appellant in gesprek gegaan over werkhervatting binnen het ministerie. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk en dat hij, mede gelet op het feit dat hij elders werk had gevonden, op dat moment niet wilde hervatten. Hij streeft een minnelijke regeling na. Bij brief van 10 oktober 2014 heeft appellant, voor zover nu nog van belang, de minister verzocht om hem ontslag op andere gronden te verlenen met recht op werkloosheidsuitkering en bovenwettelijke werkloosheidsuitkering gebaseerd op zijn laatstgenoten bezoldiging en toekenning van de maximale vergoeding op basis van de formule van de Centrale Raad van Beroep, resulterend in vijf maandbezoldigingen. Daarnaast meent appellant dat hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel recht heeft op immateriële schadevergoeding € 7.500,- netto omdat hij door de handelwijze van de minister in zijn eer en goede naam is aangetast en sprake is van stress, geestelijk leed en geestelijk letsel.

1.3.

In e-mailberichten van 15 en 16 oktober 2014 tussen N, [functie 2] bij het ministerie, en de gemachtigde van appellant heeft N uiteengezet dat er naar haar mening geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat het een keuze van appellant is om niet terug te willen keren naar het ministerie.

2.1.

Bij besluit van 16 oktober 2014 (primair besluit 1) heeft de minister de verzoeken van appellant van 10 oktober 2014 om ontslag en om immateriële schadevergoeding afgewezen. Volgens de minister is er geen dusdanige vertrouwensbreuk dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De minister heeft er hierbij op gewezen dat de wijze waarop en de plaats binnen de organisatie waar hervatting zou plaatsvinden in overleg met appellant zou worden bepaald. Het aanbieden van excuses voor de onterechte beschuldiging zou daarvan een onderdeel zijn als appellant had gekozen voor een terugkeer naar het ministerie. De minister heeft appellant de keus geboden om uiterlijk per 1 december 2014 ontslag op eigen verzoek te nemen of per die datum zijn eigen werkzaamheden bij het ministerie te hervatten. Voor zover nodig dient appellant het als een dienstopdracht op te vatten om per 1 december 2014 te komen werken als voor die datum geen ontslagverzoek van hem is ontvangen.

2.2.

Bij besluit van 4 december 2014 (primair besluit 2) heeft de minister appellant medegedeeld dat hij de bezoldiging van appellant inhoudt voor de duur dat hij in strijd met zijn verplichtingen nalaat om te komen werken.

2.3.

Bij besluit op bezwaar van 9 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft de minister de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2.4.

Nadat de minister zijn voornemen daartoe kenbaar had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 13 januari 2015 (bestreden besluit 2) aan appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan de aan hem verstrekte dienstopdracht om met ingang van

1 december 2014 op het werk te verschijnen en dat appellant ook niet zelf heeft verzocht om ontslag.

2.5.

Overeenkomstig het verzoek van appellant in zijn bezwaarschrift tegen bestreden

besluit 2 heeft de minister ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank op grond van

artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het rechtstreekse beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het aanvullend verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Uit de in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechtbank van 12 september 2014 volgt dat de aanstelling van appellant is blijven bestaan. Niet gezegd kan worden dat de minister bij het gesprek op 23 september 2014 over de werkhervatting van appellant onvoldoende oog heeft gehad voor de situatie van appellant. Niet is gebleken dat sprake was van een ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen, zoals door appellant is gesteld. Nu er geen beletselen waren voor een terugkeer van appellant binnen de organisatie, acht de rechtbank de opdracht van de minister aan appellant om uiterlijk 1 december 2014 de werkzaamheden te hervatten niet onredelijk. Nu appellant er weloverwogen en ten onrechte voor heeft gekozen om niet over te gaan tot werkhervatting per 1 december 2014, lag het niet in de rede dat de minister het door appellant gewenste ontslag met de door hem voorgestelde regeling zou verlenen en heeft de minister terecht de bezoldiging van appellant met ingang van 1 december 2014 niet uitgekeerd. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van appellant om gehoor te geven aan de opdracht tot werkhervatting kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet kan worden toegerekend aan appellant. De opgelegde straf van disciplinair ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van de gedragingen van appellant. De minister heeft appellant dan ook de disciplinaire straf van ontslag mogen opleggen. Voor zover aan het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade zijn onvrede ter zake van de uitspraak van de rechtbank van 12 september 2014 ten grondslag ligt, wijst de rechtbank er op dat de Raad bij uitspraak van 24 maart 2016 voornoemde uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd. Voor zover appellant heeft beoogd aan te geven dat vergoeding van immateriële schade in de rede ligt in verband de laatstelijk opgelegde disciplinaire straf van ontslag, heeft appellant de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat hij in zijn eer en goede naam dan wel anderszins in zijn persoon is aangetast door de gevolgen van het onderhavige ontslagbesluit dat bovendien niet onrechtmatig kan worden geacht.

4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.2.

Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de door hem in beroep ingenomen standpunten alsmede, voor zover het betreft de vergoeding van immateriële schade, van wat hij in het hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 24 maart 2016 al had aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak al deze standpunten afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S.A. de Graaff

HD