Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
16/6541 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechter is een veroordeling in de proceskosten van de belanghebbende ten laste van de Staat der Nederlanden aangewezen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht omdat op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb geen griffierecht is verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6541 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 september 2016, 14/344 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 27 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 april 2013 heeft de korpschef het verzoek van appellant om te worden bevorderd tot senior GGP afgewezen. Bij besluit van 19 december 2013 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Dit betoog slaagt. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102) volgt dat bij toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechter een veroordeling in de proceskosten van de belanghebbende ten laste van de Staat der Nederlanden aangewezen is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

3.2.

Anders dan appellant heeft betoogd bestaat echter geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Appellant heeft op 24 juni 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd. De Raad verwijst naar de onder 3.1 genoemde uitspraak van 12 januari 2017.

3.3.

Gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover geen proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog overgaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding in beroep voor verleende rechtsbijstand, ten laste van de Staat der Nederlanden. Deze kosten worden begroot op in totaal € 494,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5).
4. Aanleiding bestaat voorts voor veroordeling van de Staat der Nederlanden in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 247,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift,

wegingsfactor 0,5). Ook bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is

toegekend;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) in de

proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 741,-;
- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 251,-

terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) P.W.J. Hospel

HD