Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
16/7237 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het besluit tot opheffing van de betrekking van betrokkene op onjuiste gronden berust. Het besluit tot ontslag van betrokkene op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de ANDT is gebaseerd op de opheffing van haar betrekking. Doordat het besluit tot opheffing van de betrekking is herroepen, is ook de grondslag aan het ontslag komen te ontvallen en dat betekent dat appellant niet bevoegd was om betrokkene te ontslaan. De Raad zal hier zelf in de zaak voorzien en ook het besluit van 24 december 2015 herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7237 AW, 17/1290 AW, 17/3263 AW, 17/3266 AW, 17/3600 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

14 oktober 2016, 16/1394 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van Noaberkracht Dinkelland Tubbergen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 27 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.C. Balke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.A. van Lammeren, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 7 april 2017 (nader besluit), voor zover hier van belang, opnieuw op het bezwaar beslist.

Partijen hebben over en weer nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Balke, E.M. Grobben en H.J.M. Huitink. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lammeren.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was vanaf 1989 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van) de gemeente [gemeente 1] . Met ingang van 1 januari 2013 is betrokkene in algemene dienst aangesteld in de generieke functie van [functie 1] , voor 18 uur per week, bij het openbaar lichaam [openbaar lichaam] , dat sinds 2013 verantwoordelijk is voor personeelszaken en werkzaamheden op het terrein van de bedrijfsvoering van de gemeenten [gemeente 1] en [gemeente 2] . Betrokkene was sindsdien werkzaam als [functie 2] bij de afdeling [afdeling] . Betrokkene verrichtte bij de gemeente [gemeente 1] en vervolgens bij [openbaar lichaam] verschillende werkzaamheden, aanvankelijk op het gebied van ‘groen’. In 2014 en 2015 heeft zij zich voornamelijk met werkzaamheden op het terrein van afvalinzameling beziggehouden. Daarnaast is betrokkene vanaf 16 september 2013 tot 1 juli 2014 bij [openbaar lichaam] voor 17 uur per week via een uitzendbureau werkzaam geweest als bestuurssecretaresse.

1.2.

In het voorjaar van 2015 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten [gemeente 1] en [gemeente 2] besloten om met ingang van 1 januari 2016 voor de verwerking van huishoudelijk afval aansluiting te zoeken bij de naamloze vennootschap [NV] . Op 17 december 2015 hebben de gemeenten [gemeente 1] en [gemeente 2] daartoe dienstverleningsovereenkomsten gesloten met [NV] , met als gevolg dat de gemeentelijke taken op het gebied van huishoudelijk afval met ingang van 1 januari 2016 niet langer door [openbaar lichaam] worden uitgevoerd. Daarbij is vastgelegd dat separaat afspraken zullen worden gemaakt over de overgang van medewerkers, van wie het overgrote deel van hun taak naar [NV] verschuift en dat daarbij het uitgangspunt “mens volgt werk” wordt gehanteerd.

1.3.

Bij brief van 12 november 2015 heeft appellant aan betrokkene, in verband met de overdracht aan [NV] van werkzaamheden die betrokkene bij [openbaar lichaam] verrichtte in het kader van afvalinzameling, voorgesteld om haar met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag te verlenen wegens opheffing van haar betrekking en haar met ingang van 1 januari 2016 voor 18 uur per week in vaste dienst te laten treden bij [NV] in een functie die qua niveau en salaris gelijk is aan de functie die zij vervulde bij [openbaar lichaam] . Tevens heeft appellant aanvullende faciliteiten aangeboden.

1.4.

Bij brief van 18 december 2015 heeft betrokkene haar voorwaarden en wensen kenbaar gemaakt voor indiensttreding bij [NV] . Bij brief van 22 december 2015 heeft betrokkene aan appellant bericht dat zij onder uitdrukkelijk protest kiest voor een functie bij [NV] en dat die keus onverlet laat dat zij alsnog (rechts)maatregelen zal treffen richting het bevoegd gezag en dat de afspraken over de arbeidsvoorwaarden nog moeten worden afgerond.

1.5.

Bij besluit van 23 december 2015 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat per

1 januari 2016 de werkzaamheden die betrokkene bij [openbaar lichaam] verricht komen te vervallen als gevolg van het besluit van de gemeenten [gemeente 1] en [gemeente 2] om taken op het gebied van organisatie en uitvoering van de afvalinzameling aan [NV] uit te besteden en dat haar betrekking met ingang van 1 januari 2016 is opgeheven. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij besluit van 24 december 2015 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3, eerste lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling Noaberkracht Dinkelland Tubbergen (ANDT). Betrokkene heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.7.

Bij besluit van 20 april 2016 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 23 december en 24 december 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen, met bepalingen van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een individueel geval als bedoeld in artikel 8:3, derde lid, van de ANDT, uitgaande van de aanstelling van betrokkene in algemene dienst binnen een ruim geformuleerde organieke functie, met name gekeken dient te worden naar het samenstel van werkzaamheden waarmee de ambtenaar belast is en dat daarbij tevens moet worden bezien of sprake is van werkzaamheden die de ambtenaar bij voortduring verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat uit de enkele omstandigheid dat [openbaar lichaam] met ingang van 1 januari 2016 geen taken meer verricht op het terrein van de afvalinzameling, volgt dat daarmee tevens het samenstel van werkzaamheden van betrokkene is komen te vervallen. Dat aan betrokkene voor het jaar 2015 vooral taken op het terrein van de afvalinzameling waren opgedragen, betekent volgens de rechtbank niet dat die jaartaken wat betreft de opheffing van de betrekking en het ontslag als de functie van betrokkene kunnen gelden. Dat volgt uit de aanstelling in algemene dienst, de ruim geformuleerde organieke functie, de daadwerkelijke flexibele invulling met werkzaamheden van en de uitwisselbaarheid van werkzaamheden binnen die organieke functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de formatie en de betrekking van betrokkene zijn vervallen en evenmin acht de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat sprake was een individueel geval bedoeld in artikel 8:3, derde lid, van de ANDT.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij het nadere besluit de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 23 december en 24 december 2015 opnieuw ongegrond verklaard.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:3, eerste lid, van de ANDT bepaalt dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.

4.2.

Artikel 8:3, derde lid, van de ANDT bepaalt dat ontslag op grond van dit artikel wordt verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan, individuele gevallen uitgezonderd.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen en zoals appellant met juistheid heeft gesteld, is bij de vraag of een betrekking is komen te vervallen, niet doorslaggevend of al dan niet sprake is van een aanstelling in algemene dienst, en is ook niet bepalend de mate van algemeenheid van de bewoordingen van het toepasselijke functieprofiel of de toepasselijke functiebeschrijving. Bepalend is of het samenstel van werkzaamheden dat aan de ambtenaar was opgedragen, is komen te vervallen.

4.4.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het samenstel van werkzaamheden van betrokkene in 2015 volgens het werkplan bestond uit werkzaamheden op het gebied van afvalinzameling en dat daarmee 650 uur waren gemoeid. Voor 50 uur, ongeveer 10%, was zij belast met het project plantenbakken in de openbare ruimte. Deze werkzaamheden verrichtte betrokkene bestendig en na overdracht van de afvaltaken aan [NV] zijn die werkzaamheden dus grotendeels komen te vervallen. Dat vormt de grondslag voor de opheffing van de betrekking.

4.5.

De Raad volgt appellant hierin niet en is van oordeel dat het besluit tot opheffing van de betrekking van betrokkene op onjuiste gronden berust. Betrokkene, die was aangesteld in de normfunctie van [functie 1] , was bij de afdeling [afdeling] werkzaam als [functie 2] , zijnde een functie met een resultaatbeschrijving. Uit die resultaatbeschrijving volgt dat de [functie 2] adviseert over technische en financiële randvoorwaarden op het terrein van nieuwe civiel- of cultuurtechnische werken, zoals water, wegen, kunstwerken en groen, en van afvalinzameling en dat hij de ontwikkelingen op het terrein van civiel- of cultuurtechniek en afvalinzameling volgt en evalueert. De werkzaamheden binnen overige resultaatgebieden zijn gerelateerd aan die terreinen. Voor de onderlinge verdeling van die werkzaamheden onder de werkvoorbereiders bij de afdeling [afdeling] werd jaarlijks voor iedere werkvoorbereider een werkplan opgesteld, met een beschrijving van de uit te voeren werkzaamheden. Dit betrof een flexibele invulling van die taken aan de werkvoorbereiders.

4.6.

Gezien deze jaarlijkse flexibele verdeling van het geheel aan taken bij de afdeling [afdeling] onder de [functie 2] , kan niet worden gezegd dat het vervallen van 650 uur aan werkzaamheden op één specifiek taakgebied van deze afdeling, zijnde het gebied van afvalverwerking, met zich heeft gebracht dat het feitelijk samenstel van werkzaamheden van specifiek en enkel en alleen betrokkene als één van de werkvoorbereiders van de afdeling [afdeling] , is komen te vervallen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de taken met betrekking tot de afvalverwerking pas zeer kort voor het besluit tot de taakovergang naar [NV] aan betrokkene waren toebedeeld. Voordien is zij langdurig op andere taakgebieden werkzaam geweest. Haar taken op het genoemde gebied hadden vanaf het moment van het besluit tot die taakovergang bovendien bijna geheel en al betrekking op de voorbereiding van die naderende overgang. Al met al is veeleer sprake van het ontvallen aan de afdeling van een van haar taakgebieden, dan dat kan worden gezegd dat het enkel en alleen de functie van nu juist betrokkene is geweest die met de taakovergang naar [NV] is weggevallen.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient in zoverre, gezien het overwogene onder 4.3 met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

4.8.

Betrokkene heeft zich in incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet had mogen volstaan met het vernietigen van het bestreden besluit, maar ook de besluiten van 23 december en 24 december 2015 had dienen te herroepen.

4.9.

Dit hoger beroep slaagt. Nu het overwogene onder 4.5 tot en met 4.7 tot de conclusie leidt dat de grondslag ontbrak voor het opheffen van de betrekking van betrokkene, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en het besluit van 23 december 2015 herroepen.

4.10.

Het besluit tot ontslag van betrokkene op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de ANDT is gebaseerd op de opheffing van haar betrekking. Doordat het besluit tot opheffing van de betrekking is herroepen, is ook de grondslag aan het ontslag komen te ontvallen en dat betekent dat appellant niet bevoegd was om betrokkene te ontslaan. De Raad zal ook hier zelf in de zaak voorzien en ook het besluit van 24 december 2015 herroepen. De overige gronden van het incidenteel hoger beroep behoeven geen bespreking meer.

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat aan het nadere besluit, voor zover daarin een beslissing is genomen op de bezwaren tegen de besluiten van 23 en 24 december 2015, de grondslag komt te ontvallen en dat dit besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling bij de Raad redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.732,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het incidenteel hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het nadere besluit en

1. punt voor het verschijnen ter zitting) en € 42,83 aan reiskosten, in totaal € 1775,33.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de besluiten van 23 december 2015 en

24 december 2015 niet zijn herroepen en voor zover daarbij opdracht is gegeven een nieuwe

beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak;

- herroept de besluiten van 23 december 2015 en 24 december 2015;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- vernietigt het besluit van 7 april 2017 voor zover daarbij opnieuw is beslist op de tegen de

besluiten van 23 december 2015 en 24 december 2015 gemaakte bezwaren;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.775,33;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD