Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
16/2307 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende. Terugvordering. Niet woonachtig op brp-adres. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2307 WSF

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 maart 2016, 15/7697 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Faouzi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faouzi en M. Shahwar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 11 juli 2015 heeft de minister de aan appellante toegekende studiefinanciering op basis van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) berekend naar de norm voor een uitwonende studerende, herzien in die zin dat appellante met ingang van
1 augustus 2014 is aangemerkt als een thuiswonende studerende. Bij genoemd besluit heeft de minister een bedrag van € 2.227,53 aan studiefinanciering van appellante teruggevorderd.

1.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening.

1.3.

De minister heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 30 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op grond van de bevindingen van het huisbezoek op 8 mei 2015 terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet woonde op het adres waaronder zij op dat moment in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit het opgemaakte rapport blijkt dat er nauwelijks persoonlijke spullen van appellante getoond konden worden en er geen studiemateriaal en administratie van appellante is aangetroffen. Hetgeen appellante daartegen heeft ingebracht, is onvoldoende om aan de bevindingen van de controleurs te twijfelen, aldus de rechtbank.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het rapport niet voldoende grondslag kan bieden voor de conclusie dat zij ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. In het rapport staan onjuistheden, aangezien er meer persoonlijke spullen aanwezig waren dan in het rapport staan vermeld. Ook hadden de controleurs een buurtonderzoek moeten verrichten en hadden zij appellante persoonlijk moeten horen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen die hebben geleid tot de conclusie dat het door de controleurs opgemaakte rapport van 9 mei 2015 de minister voldoende feitelijke grondslag bood voor de herziening en dat wat appellante daar tegenin heeft gebracht onvoldoende is om de conclusies uit het rapport te weerleggen.

4.2.

In het bijzonder wordt gewezen op het feit dat er bij het huisbezoek nauwelijks tot geen persoonlijke spullen, eigen kleding, recente post, administratie en studiemateriaal van appellante zijn aangetroffen op het brp-adres. Gelet op het feit dat appellante stelt ruim anderhalf jaar op het brp-adres te wonen ten tijde van het huisbezoek, valt redelijkerwijs te verwachten dat er meer persoonlijke spullen worden aangetroffen dan thans het geval is geweest. De stelling van appellante dat haar vader haar administratie en post bijhoudt en zij haar studiemateriaal in een kluisje op school bewaart, verklaart niet waarom er verder geen persoonlijke spullen van appellante op het brp-adres zijn aangetroffen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat er op de computerkamer wel studieboeken en administratie van haar zouden hebben gelegen. Die verklaring wordt niet aannemelijk geacht omdat die verklaring in strijd is met het eerder door appellante ingenomen standpunt. Ook wijkt deze verklaring af van wat de hoofdbewoonster tijdens het huisbezoek heeft verklaard. De hoofdbewoonster heeft op de vraag van de controleurs of er spullen van appellante op de computerkamer lagen, omdat die kamer gezamenlijk gebruikt werd, geantwoord dat op die kamer geen spullen van appellante lagen.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij het weekend voor het huisbezoek bij haar ouders heeft gelogeerd waardoor er ook spullen op het ouderlijk adres lagen. Deze stelling leidt niet tot een ander oordeel omdat ook hiermee niet wordt verklaard waarom er niet meer persoonlijke spullen van appellante op het brp-adres lagen, nog daargelaten dat appellante niet heeft verduidelijkt om welke spullen het gaat.

4.4.

Anders dan appellante aanvoert, kon de minister op basis van de bevindingen van het huisbezoek reeds concluderen dat appellante niet woonde op het brp-adres. Om die reden bestond er voor de minister geen aanleiding om een buurtonderzoek te verrichten. Waar appellante heeft aangevoerd dat zij (telefonisch) gehoord had moeten worden, geldt in het algemeen dat het horen van de studerende voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek niet noodzakelijk is (vergelijk de uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2802). In dit geval is dat niet anders. Als zou blijken dat er tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of dat de verklaring van de hoofdbewoner verkeerd is geïnterpreteerd, zoals appellante in dit geval naar voren heeft gebracht, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken en bewijzen te leveren. Appellante heeft de bezwaarmogelijkheid ook benut en uit het bestreden besluit blijkt dat wat zij in bezwaar heeft aangevoerd bij de heroverweging van het besluit van 11 juli 2015 is betrokken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) G.J. van Gendt

SS