Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/4593 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaste rechtspraak betreffende ter post bezorging brief met bezwaargronden. Niet aannemelijk gemaakt dat de brief met nadere gronden op een eerdere datum dan 23 oktober 2014 ter post is bezorgd. Dit is niet tijdig. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4593 WIA

Datum uitspraak: 7 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 juni 2015, 14/8102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2017. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 juli 2014 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf 22 september 2014 geen recht meer heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij brief van 1 september 2014 heeft de voormalige gemachtigde van appellante een (inleidend) bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend. Bij brief van 24 september 2014 heeft het Uwv appellante tot uiterlijk 22 oktober 2014 de gelegenheid gegeven om de gronden van bezwaar in te dienen. Appellante is er in deze brief op gewezen dat het bezwaar bij een te late reactie niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Bij brief van 22 oktober 2014, door het Uwv ontvangen op 24 oktober 2014, heeft appellante gronden van bezwaar ingediend. Bij besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gronden van bezwaar te laat zijn ingediend.

1.2.

Bij fax van 15 december 2014 heeft appellante tegen dit besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat appellante haar stelling dat zij de brief met nadere gronden op 22 oktober 2014 ter post heeft bezorgd, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Van het bestaan van omstandigheden op grond waarvan de te late indiening van de gronden appellante niet kan worden tegengeworpen is niet gebleken. Het Uwv heeft het bezwaar naar het oordeel van de rechtbank terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat met de eerder in beroep overgelegde stukken voldoende aannemelijk is gemaakt dat de brief met de gronden van bezwaar op 22 oktober 2014, derhalve tijdig, ter post is aangeboden. Gewezen is op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5196), waarbij is geoordeeld dat ontvangst van een bezwaar- of beroepschrift op de eerste of tweede werkdag na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn nog als tijdig moet worden aangemerkt.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld waaraan een bezwaarschrift ten minste moet voldoen. Ingevolge het eerste lid, onder d, van dit artikel geldt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

4.2.

De Raad stelt vast dat het inleidend bezwaarschrift geen gronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb bevat. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

4.3.

Aan de orde is of appellante de gronden van bezwaar binnen de op grond van artikel 6:6 van de Awb nader gestelde termijn heeft ingediend.

4.4.

Verzending van de gronden van het bezwaar heeft plaatsgevonden via PostNL. De envelop waarin de gronden van bezwaar zijn verzonden is op 23 oktober 2014 door PostNL afgestempeld.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van het op de envelop geplaatste poststempel, tenzij de verzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138 en de uitspraak van de Raad van 11 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3098. De in overweging 3.1 genoemde uitspraak geeft de Raad geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken, reeds omdat uit de betreffende uitspraak niet blijkt of het in die zaak na de termijn ontvangen hoger beroepschrift was voorzien van een goed leesbaar poststempel.

4.6.

De vraag of appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brief met nadere gronden op een eerdere datum dan 23 oktober 2014 ter post is bezorgd, beantwoordt de Raad ontkennend. Uit de door appellante in beroep overgelegde schermprinten uit het registratiesysteem van haar voormalige gemachtigde blijkt, voor zover leesbaar, dat de bezwaargronden op 22 oktober 2014 om 16:42 uur voor het laatst zijn afgedrukt en om 17:12 uur voor het laatst zijn opgeslagen. In de bijgevoegde verklaring van 6 januari 2015 heeft de voormalige gemachtigde verklaard dat zij het poststuk daarna op de post heeft gedaan en dat het kennelijk pas op 23 oktober 2014 door de postinstantie is verwerkt. Uit deze stukken volgt niet, althans onvoldoende duidelijk, dat de brief met nadere gronden reeds op 22 oktober 2014 zoals appellante heeft gesteld, in de brievenbus is gedeponeerd.

4.7.

Uitgaande van terpostbezorging op 23 oktober 2014, heeft appellante de gronden van het bezwaar niet tijdig ingediend. Van redenen om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten is niet gebleken. Het Uwv heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en

L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KP