Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
16/6545 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Voeren gezamenlijke huishouding. Appellante meer op adres van appellant dan in eigen woning. Zwaartepunt persoonlijk leven bij appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6545 PW, 16/6546 PW, 16/6547 PW, 16/7198 PW, 16/7199 PW, 16/7200 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 september 2016, 16/943, 16/944 en 16/946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere besluiten ingezonden.

Namens appellanten heeft mr. Peper een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Leferink en M.A.W. Klein.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 18 maart 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Appellante staat met haar zoon sinds 18 maart 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een anonieme melding over samenwoning heeft de Sociale Recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, in de periode van 13 januari 2015 tot 1 juli 2015 waarnemingen gedaan bij het uitkeringsadres en het adres van appellant, [adres 2] , een buurtonderzoek verricht in [gemeente] en een onaangekondigd huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres afgelegd. Op 15 juli 2015 hebben twee sociaal rechercheurs appellante verhoord en op 20 juli 2015 hebben zij appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 augustus 2015.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 13 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 juli 2014 en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.348,07 van appellante terug te vorderen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met appellant, wat zij in strijd met haar inlichtingenverplichting niet aan het college heeft gemeld. Appellante had, ook samen met appellant, geen recht op bijstand omdat appellant een inkomen boven de voor hem en appellante geldende gezinsnorm had.

1.4.

Bij besluit van 14 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de van appellante teruggevorderde bijstand ook van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 4 november 2015 heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 16.671,65. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 11 februari 2016 (bestreden

besluit 3) de boete vastgesteld op € 1.164,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank

- de beroepen gegrond verklaard;

- bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd, voor zover het de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 23 januari 2015 tot en met 23 februari 2015 betreft, alsmede de terugvordering en de medeterugvordering als geheel;

- het primaire besluit van 13 augustus 2015 herroepen voor zover daarbij het recht op bijstand over de periode van 23 januari 2015 tot en met 23 februari 2015 is ingetrokken en bepaald dat de uitspraak voor dat deel in de plaats treedt van de vernietigde besluiten 1 en 2;

- bestreden besluit 3 vernietigd;

- het college opgedragen om met in achtneming van de uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellanten met betrekking tot de (mede)terugvordering en de aan appellante opgelegde boete;

- het college opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden en;

- het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 992,-.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 26 september 2016 de aan appellante opgelegde boete (opnieuw) vastgesteld op € 1.164,- en bij besluiten van 27 september 2016 de van appellante teruggevorderde en van appellant mede teruggevorderde bijstand vastgesteld op € 13.876,87,-.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak en de nadere besluiten van 26 en 27 september 2016 op de grond dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Daarbij hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste proceskostenvergoeding heeft toegekend omdat het om drie zaken gaat.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

5.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 1 juli 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 13 augustus 2015, de datum van het intrekkingsbesluit. In geschil is of appellanten in de perioden van 1 juli 2014 tot 23 januari 2015 en van 24 februari 2015 tot en met 13 augustus 2015 (perioden in geding) een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellant.

5.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat het college aannemelijk dient te maken dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

5.3.

Artikel 3, derde lid, van de PW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.4.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556). Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert.

5.5.

Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellante zich in de perioden in geding op het adres van appellant bevond en dat zij daar dus haar hoofdverblijf had. Daarvoor is met name van belang dat appellant op 20 juli 2015 tegen de sociaal rechercheurs heeft verklaard dat appellante in ieder geval sinds twee jaar meer dagen in de week bij hem verblijft dan in haar eigen woning. Zij is sinds die tijd zo’n twee tot drie nachten per week in [gemeente] en de rest van de nachten bij hem. Het komt ook wel voor dat appellante een hele week bij hem slaapt. Steun voor het standpunt van het college kan voorts worden gevonden in de verklaringen van de bewoonsters van de woningen aan [adres 3] en [adres 4] . De bewoonster van [adres 3] heeft op 6 juli 2015 verklaard dat appellante sinds ongeveer twee jaar niet meer op het uitkeringsadres, maar bij appellant in [woonplaats 2] woont. De betreffende bewoonster ziet appellante nog zo af en toe, als zij de post komt ophalen. Appellante is er dan ongeveer een half uur en is daarna weer weg. Appellante heeft altijd alles potdicht, wat niet zo was toen ze nog op het uitkeringsadres woonde. De bewoonster van [adres 4] heeft op 8 juli 2015 verklaard dat zij zeker weet dat appellante in elk geval sinds april 2014 samenwoont met appellant in [woonplaats 2] , dat appellante soms op het uitkeringsadres is omdat zij maatschappelijk werk over de vloer heeft en dat zij en appellant ongeveer eens per maand de tuin doen op het uitkeringsadres. Deze bewoonster ziet appellante zo af en toe nog wel bij haar woning, maar appellante is dan ook zo weer weg.

5.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

5.7.

Uit de verklaringen van appellanten kan worden afgeleid dat als appellante bij appellant verblijft de één ook voor de ander kookt, dat meestal appellant maar ook appellante de boodschappen doet, dat de boodschappen gezamenlijk worden gebruikt, dat appellanten samen het huis schoonmaken en dat zij ook wel voor elkaar de was doen. Appellant heeft voorts verklaard dat appellanten, als zij samen zijn, alles samen doen. Zo helpt appellant appellante ook met het netjes houden van de tuin op het uitkeringsadres. Dit laatste blijkt ook uit de verklaring van de bewoonster van [adres 4] . Hiermee staat ook de wederzijdse zorg vast.

5.8.

Uit 5.5 tot en met 5.7 volgt dat appellanten in de perioden in geding een gezamenlijke huishouding voerden. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat aan hun verklaringen geen waarde kan worden gehecht, omdat die onder druk zijn afgelegd, leidt dat niet tot een ander oordeel. In het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken, ontkennen of nuanceren van een dergelijke verklaring. Anders dan appellanten hebben betoogd, bestaan in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dit uitgangspunt dient te worden gemaakt. Mogelijk hebben appellanten enige druk ervaren bij het verhoor, maar niet gebleken is van onaanvaardbare druk. Van betekenis hierbij is verder dat appellanten niet kenbaar hebben gemaakt op welke concrete punten de processen-verbaal niet juist zijn en waarom. Evenmin hebben zij objectieve en verifieerbare gegevens ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat wat appellanten hebben verklaard niet juist kan zijn. Bovendien vinden de verklaringen van appellanten steun in de verklaringen van de buren van appellante die wonen op [adres 3] en [adres 4] .

Boete

5.9.

Het college heeft bij het nader besluit van 26 september 2016 een boete van € 1.164,- opgelegd. Appellante heeft de hoogte van die opgelegde boete niet bestreden en ook de Raad is van oordeel dat deze evenredig is. Het college heeft de boete vastgesteld aan de hand van de door de Raad in de uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:8 tot en met 13, gegeven criteria, waarbij het college is uitgegaan van ‘normale’ verwijtbaarheid.

Proceskostenvergoeding door de rechtbank

5.10.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dat sinds 1 januari 2015 luidt, zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden ingestelde beroepen die door de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van samenhangende zaken.

5.11.

Uit 5.1 tot en met 5.10 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd en de beroepen tegen de besluiten van

26 september 2016 en 27 september 2016 zullen ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de nadere besluiten van 26 september 2016 en 27 september

2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en P.W. van Straalen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2017.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijk huishouding.

HD