Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/7227 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit toetsen aan de hand van de aangevoerde gronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. De regelgever heeft in artikel 12 van het Bsf 2000 voor het aannemen van draagkracht uit alimentatie, gekozen voor de (gerechtelijk) vastgestelde (geïndexeerde) alimentatiebedragen en niet voor de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen. Met uitzondering van gebleken volledige oninbaarheid. Bij partieel oninbaar gebleken alimentatie, volledige voldoening afdwingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7227 WSF

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 oktober 2015, 15/558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 27 januari 2015 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 9 december 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit is afgewezen een verzoek van appellante van 23 oktober 2014 om wijziging van het besluit van 16 oktober 2014 waarbij appellantes verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling) weliswaar was toegewezen, maar waarin tevens is beslist dat de aanvullende beurs wordt verminderd met een alimentatiebedrag van € 237,84 per maand.

2.1.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er dient een inhoudelijk oordeel te worden gegeven over de aangevoerde gronden.

2.1.2.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij weliswaar betalingen van haar vader heeft ontvangen, maar dat deze betalingen veel lager zijn dan waar zij recht op heeft. Via het LBIO wordt middels beslaglegging op de uitkering van haar vader slechts een bedrag van ten hoogste € 49,80 per maand geïnd. Het grootste deel van de alimentatie is al jaren oninbaar gebleken. Het is onder deze omstandigheden niet redelijk dat de oninbare alimentatie in mindering wordt gebracht op de aanvullende beurs. Niet de verschuldigde alimentatie maar enkel het inbaar gebleken bedrag moet in mindering worden gebracht op de aanvullende beurs.

2.2.

De minister heeft ter zitting uiteengezet dat uit de motivering in het bestreden besluit blijkt dat hij, ondanks de verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb, inhoudelijk heeft beslist op het verzoek van appellante van 23 oktober 2014. Ook de minister acht daarom een inhoudelijke beoordeling aangewezen.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

Het bestreden besluit is het resultaat van een inhoudelijke heroverweging naar aanleiding van de door appellante bij het verzoek van 23 oktober 2014 verstrekte gegevens. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit, de standpunten van partijen en de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zal de Raad het bestreden besluit toetsen aan de hand van de aangevoerde gronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag.

3.2.

De regelgever heeft in artikel 12 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000), gelezen in samenhang met de toelichting daarop, voor het aannemen van draagkracht uit alimentatie gekozen voor de (gerechtelijk) vastgestelde (geïndexeerde) alimentatiebedragen en niet voor de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen. Ontvangst van de vastgestelde alimentatie wordt verondersteld. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken indien, uit een verklaring van een bevoegde instantie, blijkt dat de vastgestelde alimentatie sinds ten minste een jaar volledig oninbaar is gebleken. Dat de uitzondering inzake oninbaarheid niet tevens ziet op partieel oninbaar gebleken alimentatie blijkt uit de omstandigheid dat de regelgever in het Bsf 2000 geen aanvullende regeling heeft getroffen waardoor bij partieel oninbaar gebleken alimentatie voor de draagkracht uit alimentatie, in plaats van de vastgestelde alimentatie, wordt uitgegaan van de geïnde bedragen.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:487) biedt de hardheidsclausule de minister niet de mogelijkheid een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling indien de onverkorte toepassing daarvan in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de regelgever en strekking van de regeling. Indien partiële inning van alimentatie plaatsvindt dan kan, zij het met (grote) vertraging, de vastgestelde alimentatie worden geïnd. Het is niet verenigbaar met doel en strekking van de regeling dat een (hogere) aanvullende beurs wordt verstrekt door het gedeeltelijk voorbijgaan aan een vastgestelde alimentatieverplichting terwijl de voldoening aan deze verplichting wel kan worden afgedwongen. Appellante heeft voorts de mogelijkheid om in aanvulling op de prestatiebeurs studiefinanciering aan te vragen in de vorm van een rentedragende lening.

3.4.

Uit wat in 3.2 en 3.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Gelet op wat in 3.1 is overwogen bestaat er aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) N. van Rooijen

UM