Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
16/7119 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verplichting horen in bezwaarfase. Niet gebleken dat appellant onder verantwoordelijkheid van minister op verkeerde been is gezet omtrent moment van kunnen indienen aanvraag. Niet gebleken van enig – begin van – bewijs van zijn stelling. Onbillijkheid van overwegende aard niet gebleken. Eigen verantwoordelijkheid om informatie in te inwinnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7119 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 oktober 2016, 16/1016 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 5 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1985, heeft op 24 september 2015 een aanvraag gedaan om op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in aanmerking te komen voor studiefinanciering. Bij besluit van 5 november 2015 heeft de minister deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 21 januari 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 november 2015 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister, onder verwijzing naar de artikelen 1.2, 2.3 en 3.21 van de Wsf 2000, ten grondslag gelegd dat appellant niet in aanmerking komt voor studiefinanciering omdat hij op de eerste dag van de maand waarop het recht op studiefinanciering zou kunnen ingaan, 1 oktober 2015, reeds 30 jaar of ouder is. Voorts wordt geen reden gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. De minister heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is zodat hij in de bezwaarfase in redelijkheid van het horen van appellant heeft kunnen afzien. Voorts is overwogen dat gelet op de datum van indiening van de aanvraag aan appellant eerst met ingang van 1 oktober 2015 studiefinanciering toegekend had kunnen worden. Maar omdat appellant op 1 oktober 2015 inmiddels de leeftijd van 30 jaar had bereikt, voldeed hij per die datum niet aan de wettelijke vereisten om voor studiefinanciering in aanmerking te komen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de minister heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule nu onverkorte toepassing van artikel 2.3, derde lid, van de Wsf 2000 in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 2.3, derde lid, van de Wsf 2000 buiten toepassing moet worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant reeds vóór september 2015 de wens had om de opleiding elektrotechniek te volgen en hij er bewust voor heeft gekozen om de aanvraag pas in september 2015 in te dienen, wetende dat hij in die maand de leeftijd van 30 jaar zou bereiken.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Herhaald wordt dat appellant ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. Verder wordt aangevoerd dat in het geval van appellant sprake is van zodanig specifieke omstandigheden dat onder toepassing van de hardheidsclausule afgeweken had moeten worden van artikel 3.21 van de Wsf 2000. In het bijzonder wordt in dit verband gesteld dat appellant door de minister op het verkeerde been is gezet omtrent de mogelijkheid van het doen van een aanvraag. Bij de balie van DUO is hem medegedeeld dat hij pas een aanvraag om studiefinanciering kon indienen nadat hij was ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Gelet op die mededeling heeft hij eerst nadat hij door de onderwijsinstelling medio september 2015 met terugwerkende kracht is ingeschreven per 1 augustus 2015, een aanvraag om studiefinanciering ingediend.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ingevolge artikel 7.3 van de Wsf 2000 niet van toepassing op deze bezwaarschriftprocedure. Daarom bestond er voor de minister geen verplichting tot het horen van appellant in de bezwaarfase.

4.2.

Niet is gebleken dat appellant onder verantwoordelijkheid van de minister op het verkeerde been is gezet omtrent het moment van het kunnen indienen van een aanvraag. Appellant is, zoals volgt uit zijn brief van 3 oktober 2015, afgegaan op een mondelinge mededeling die hem twee jaar daarvoor zou zijn gedaan. Enig – begin van – bewijs van de stelling dat hij destijds onjuist is voorgelicht heeft appellant niet geleverd.

4.3.

Voorts is niet gebleken dat onverkorte toepassing van het bepaalde in artikel 3.21, tweede lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Het lag onmiskenbaar op de weg van appellant, die wist dat de leeftijd van 30 jaar van belang was voor de aanspraken op studiefinanciering, tijdig in 2015 concrete op zijn situatie toegespitste informatie in te winnen bij de minister.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM