Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/8560 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met behoud van de uitkering met moeder naar Sri Lanka te verhuizen. Van een noodzaak voor de moeder om te verhuizen is onvoldoende gebleken. Het betoog van appellant dat hij van de verzorging door zijn moeder afhankelijk is, is geen zwaarwegende reden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in de Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8560 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 november 2015, 15/6016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Namens appellant is
mr. Kuijper verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 25 september 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 28 januari 2015 heeft hij toestemming gevraagd om met behoud van de uitkering met zijn moeder naar Sri Lanka te verhuizen, omdat zij daar een baan aangeboden heeft gekregen. Na een medisch onderzoek van 13 april 2015 is dat verzoek bij besluit van 15 april 2015 afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 8 juli 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat van een noodzaak voor de moeder om te verhuizen onvoldoende is gebleken. Het betoog van appellant dat hij van de verzorging door zijn moeder afhankelijk is, is volgens de rechtbank geen zwaarwegende reden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in de Wajong.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde grond herhaald dat de verhuizing naar het buitenland een dwingend karakter heeft. Het lukt zijn moeder niet in Nederland werk te vinden en zij heeft nu de mogelijkheid om in Sri Lanka een baan te krijgen, zoals uit een overgelegde email blijkt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

In het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt. 2 mei 2003, nr. 84, blz. 17 en gewijzigd bij Stcrt. 18 augustus 2010, nr. 12828, blz. 1; de Beleidsregels) is in artikel 2 bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig reïntegratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.3.

In de toelichting bij de Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen worden beoordeeld of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent. In de toelichting op de Beleidsregels is verder bepaald dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze.

4.4.

Het exportverbod van de Wajong-uitkering is het uitgangspunt en de hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden. Vaststaat dat de situatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregels niet van toepassing is. In geding is de vraag of de verhuizing van de moeder van appellant naar Sri Lanka noodzakelijk is.

4.5.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat de gedingstukken en de ter zitting bekend geworden informatie geen steun bieden voor het standpunt dat in de situatie van de moeder een noodzaak is gelegen voor verhuizing naar Sri Lanka. Dat de moeder van appellant in Nederland haar werk heeft verloren en een bijstandsuitkering heeft ontvangen − een situatie die, zo is ter zitting door het Uwv gemeld, door werkhervatting niet meer actueel is − is geen reden om het kunnen verwerven van een baan elders als objectief en dwingend van aard te beschouwen om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen.

5. Nu geen andere redenen aan het verzoek van appellant ten grondslag zijn gelegd, volgt uit 4.1 tot en met 4.5 dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) I.G.A.H. Toma

KP