Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/6322 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven. Geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. Het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapport wordt om deze reden buiten beschouwing gelaten. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellant in staat worden geacht om de voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen. Bevestiging aangevallen uitspraak op andere gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6322 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 augustus 2015, 14/3458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als commercieel medewerker in een meubelwinkel. In 2003 is appellant voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten en klachten van fibromyalgie in verband waarmee aan hem met ingang van

30 maart 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, welke uitkering met ingang van 21 mei 2006 is verlaagd naar de klasse van 15 tot 25%.

1.2.

Op 11 januari 2011 heeft appellant zich ziek gemeld voor zijn werk als commercieel medewerker wegens een toename van de reumatische en fibromyalgieklachten als ook wegens voet-, arm- en handklachten en vermoeidheid. Daarnaast heeft appellant als gevolg van hem in 2007 en 2010 overkomen auto-ongevallen cognitieve en depressieve klachten en aangezichtspijnen. De verzekeringsarts heeft na onderzoek vastgesteld dat bij appellant sprake is van psychische en fysieke klachten, die deels te objectiveren zijn. Appellant is aangewezen op licht, afwisselend en voornamelijk zittend werk waarbij weinig gelopen, niet gehurkt of geknield mag worden. Het werk mag niet stressvol zijn. De beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 oktober 2013 met beperkingen in de rubrieken 1 tot en met 5. De arbeidsdeskundige heeft met de FML passende functies geselecteerd op basis waarvan de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 33,24%. Bij besluit van 6 december 2013 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van

8 januari 2013 herzien naar de klasse 25 tot 35%.

1.3.

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat als gevolg van het complex aan lichamelijke en psychische klachten een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen verenigen met de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts. Een medisch inhoudelijk argument voor de noodzaak voor het stellen van een urenbeperking is gelet op de standaard ‘Verminderde Arbeidsduur’ niet gegeven. Daarnaast is de FML met de aangegeven beperkingen al passend als instrument ter preventie van overbelasting. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, in verband met het laten vervallen van een aantal functies, na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies geselecteerd op basis waarvan het verlies aan verdienvermogen is berekend op 40,81%. Bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2013 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 januari 2013 herzien naar 35 tot 45%.

2.1.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen en heeft Cavari Clinics verzocht een onderzoek in te stellen. In een gezamenlijke rapportage van 26 mei 2015 hebben prof. dr. J.H. Arendzen, revalidatiearts, en dr. D.M. Tulner, psychiater, beiden verbonden aan Cavari Clinics, gerapporteerd. Wegens gebleken discrepanties tijdens het, onder auspiciën van Arendzen uitgevoerde, fysiotherapeutisch onderzoek op 13 april 2014, heeft Arendzen een door hem uit te voeren, tweede onderzoek aangewezen geacht. Appellant heeft zijn medewerking aan dit tweede onderzoek geweigerd wegens de hevige pijnklachten na het fysiotherapeutisch onderzoek op 13 april 2014. Arendzen heeft vervolgens geconcludeerd dat door het ontbreken van een herhaald onderzoek, de fysieke belastbaarheid niet eenduidig is vast te stellen. Volgens Tulner passen de anamnese, levensloop, conflicten en bevindingen van het psychiatrisch onderzoek bij de in 2008 gediagnosticeerde ADHD. Voor de aanwezigheid van een depressie ten tijde van de datum in geding zijn geen ondersteunende onderzoeken of bewijzen aanwezig.

2.2.

Onder verwijzing naar artikel 8:47, eerste lid, in verbinding met artikel 8:30 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank vastgesteld dat het deskundigenonderzoek niet volledig heeft kunnen plaatsvinden omdat appellant zijn (verdere) medewerking aan het onderzoek heeft onthouden. Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5408, heeft de rechtbank haar oordeel gebaseerd op de aanwezige medische gegevens. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de fysieke belastbaarheid van appellant heeft overschat. Appellant heeft zijn stelling dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen niet met medisch objectieve gegevens onderbouwd. Met betrekking tot de psychische beperkingen heeft de rechtbank overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport van psychiater Tulner is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. Appellant heeft geen objectief medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat Tulner de beperkingen heeft onderschat. De medische grondslag wordt door de rechtbank onderschreven. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt, zodat deze functies voor appellant geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich beklaagd over de wijze van uitvoering en de kwaliteit van het deskundigenonderzoek. Het lichamelijk onderzoek is uitgevoerd door een jonge, onervaren fysiotherapeut terwijl de opdracht was gericht aan revalidatiearts Arendzen. Wegens de tijdens het onderzoek door de fysiotherapeut verkregen pijnklachten heeft appellant zijn medewerking aan een tweede onderzoek door Arendzen geweigerd. Arendzen heeft vervolgens conclusies getrokken uit een onderzoek dat hij niet zelf heeft verricht en waar hij niet bij aanwezig is geweest. Voorts heeft hij de klachten van appellant als gevolg van fibromyalgie en chronische pijn niet erkend. Appellant heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn fibromyalgische klachten, met vermoeidheid, de aangezichtspijnen en chronische pijn in zijn nek, hoofd, benen, heup, arm, hand en vingers. Dit complex aan (pijn)klachten geeft een sterke verstoring van de energiehuishouding waardoor hij slecht slaapt, wat de vermoeidheid versterkt. Dit rechtvaardigt een urenbeperking. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een rapport van een (ervaren) fysiotherapeut, G.H.J. van Telgen, overgelegd, die in tegenstelling tot Arendzen wel een verhoogde afweerspanning in de spieren heeft geconstateerd. Tot slot is door appellant de geschiktheid van de geselecteerde functies betwist, onder meer omdat de functies overeenkomen met de werkzaamheden die hij in aangepast werk bij zijn werkgever heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het aangevoerde in hoger beroep, zal eerst worden bezien of er twijfel bestaat aan de medische grondslag van het bestreden besluit op grond waarvan aanleiding kan bestaan om een deskundige in te schakelen.

4.1.1.

Op dit punt wordt overwogen dat er geen reden is voor het oordeel dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig is verricht. Appellant is lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van de verzekeringsarts. De klachten zijn, zo blijkt uit het rapport van 18 oktober 2013, uitgebreid uitgevraagd. De dossierstukken zijn bestudeerd en er is informatie van de behandelend sector betrokken en gewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gezien en gesproken, heeft de stukken bestudeerd en kennis genomen van de informatie van de behandelend sector.

4.1.2.

Evenmin is er reden om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde fysieke en psychische belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft na anamnese, dagverhaal en informatie van de huisarts en uitgaande van de diagnoses depressieve stoornis, somatoforme pijnstoornis en fibromyalgie, beperkingen vastgesteld die betrekking hebben op de rubrieken 1 tot en met 5 van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

6 juni 2014 een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie gegeven op de bezwaren van appellant en is inzichtelijk ingegaan op de door appellant overgelegde medische informatie uit de behandelend sector. In dit rapport heeft deze verzekeringsarts de klachten en bezwaren die appellant heeft vermeld weergegeven en besproken. Vervolgens heeft hij overtuigend gemotiveerd waarom het aangevoerde in bezwaar geen aanleiding geeft om tot andere dan wel meer beperkingen te komen dan vastgelegd in de FML van 18 oktober 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom er geen aanleiding is om een urenbeperking vast te stellen. Het rapport van 6 juni 2014 wordt volledig onderschreven.

4.1.3.

Op het in hoger beroep door appellant overgelegde rapport van 7 september 2015 van fysiotherapeut Van Telgen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van

4 december 2015 afdoende gereageerd en overtuigend gemotiveerd waarom dit rapport geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de belastbaarheid ten tijde van de datum in geding. Aanvullend wordt overwogen dat ook uit het huisartsenjournaal niet is gebleken dat appellant in de in dit geding van belang zijnde periode meer beperkt zou zijn dan is aangenomen door de verzekeringsartsen. De medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven.

4.1.4.

Uit het voorgaande volgt dat er geen twijfel is over de medische grondslag van het bestreden besluit. Dit leidt ertoe dat er geen aanleiding is om een deskundige in te schakelen. Het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapport wordt om deze reden buiten beschouwing gelaten.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellant in staat worden geacht om de voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen. In het rapport van 16 juni 2014 is inzichtelijk beargumenteerd dat de werkzaamheden verbonden aan de voorgehouden functies zijn door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde mogelijkheden en beperkingen niet overstijgen. De grond dat de voor hem geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat deze overeenkomen met de werkzaamheden die hij destijds bij zijn werkzaamheden heeft verricht, slaagt niet. Met deze enkele, niet nader onderbouwde stelling is niet aangetoond dat het om dezelfde werkbelasting en werkomstandigheden gaat.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en A.T de Kwaasteniet en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB