Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/6004 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht oordeel rechtbank geen grond voor urenbeperking. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde rapporten volgt dit niet. De twijfel over de geschiktheid van appellant voor de functies van wikkelaar en snackbereider is niet weggenomen en van de zijde van het Uwv is niet overtuigend onderbouwd dat de functies geschikt zijn. Conclusie is dat er nog maximaal twee van de vijf aan appellant voorgehouden functies resteren. Een te geringe basis voor de beëindiging van de ZW-uitkering per 6 oktober 2014. Bestreden besluit vernietigd, geen deugdelijke arbeidskundige grondslag. Op en na 6 oktober 2014 recht op ziekengeld. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6004 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2015, 15/727 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Griend. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als floormanager in een zwembad voor 38 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, heeft appellant zich op 6 september 2013 ziek gemeld met toegenomen psychische en cognitieve klachten, die het gevolg zijn van een ongeval tijdens het werk op 22 maart 2011, waarbij hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2014 vastgesteld dat appellant per 6 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als floormanager, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 februari 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om voltijds te werken en dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking voor hem heeft vastgesteld. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de door het Uwv geselecteerde functies voor hem te zwaar zijn en dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in staat zou moeten zijn die te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep twee rapporten overgelegd van J.F. Stoffijn, onafhankelijk register arbeidsdeskundige, en twee in het kader van een in een letselschadeprocedure opgemaakte rapporten van klinisch neuropsycholoog

E. van der Scheer en neuroloog J.O. Mispelblom Beijer.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft daarbij verwezen naar in hoger beroep overgelegde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarmee zij hebben gereageerd op de door appellant in hoger beroep ingezonden rapporten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder het maatmaninkomen wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van

30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Over de urenbeperking heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht in haar rapport van

24 juni 2015 dat er geen grond is om voor appellant een urenbeperking op te nemen. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde rapporten volgt niet dat appellant door zijn klachten wel beperkt zou moeten worden geacht in het aantal uren dat hij kan werken, wat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend is gemotiveerd in haar rapport van 20 april 2017.

4.3.

Het uitgangspunt voor de beoordeling van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies is de FML van 8 augustus 2014, waarin voor appellant enkele beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken “persoonlijk functioneren” en “sociaal functioneren”. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant met zijn beperkingen nog in staat moet worden geacht vijf functies te vervullen. Na beoordeling van de rapporten van de arbeidsdeskundige Stoffijn heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat een van deze functies toch niet geschikt is voor appellant, namelijk de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), maar dat appellant de overige functies wel moet kunnen uitoefenen. Appellant meent dat de vier andere functies, wikkelaar, snackbereider, machinebediende inpak-verpakkingsmachine en medewerker tuinbouw, gelet op de in de FML opgenomen beperkingen, ook niet geschikt zijn voor hem.

4.4.

In de FML is onder punt 1.1 bij het aspect “vasthouden van de aandacht” een beperking geformuleerd door de verzekeringsarts, inhoudende dat appellant de aandacht niet langer dan een half uur kan richten op één informatiebron. Verder is bij punt 1.9.4 vermeld dat appellant is aangewezen op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen. De arbeidsdeskundige Stoffijn is van mening dat de functies wikkelaar (SBC-code 267050) en snackbereider (SBC-code 111071) gelet op de genoemde beperkingen te belastend zijn voor appellant. Zoals blijkt uit de beschrijving van de functie van wikkelaar moet daarin 80% van de tijd worden besteed aan montage- en controlewerkzaamheden in een grote fabriekshal. De functie van snackbereider wordt ook uitgeoefend in een fabriekshal en 90% van de tijd wordt besteed aan het bereiden van deeg, waarbij nauwkeurig en aandachtig moet worden gewerkt en kwaliteitsnormen en controle daarop belangrijk zijn. Stoffijn meent dat deze functies zodanige eisen stellen aan de concentratie dat deze niet passend zijn voor appellant gelet op de geformuleerde beperkingen en bovendien in een fabriekshal worden uitgeoefend, waardoor appellant kan worden afgeleid door anderen, wat extra bijdraagt aan zijn ongeschiktheid voor de beide functies.

4.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is, zoals blijkt uit zijn rapport van 31 januari 2017, van mening dat de belasting van de beide functies niet in strijd is met de voor appellant geformuleerde beperkingen. Naar zijn mening behoeft appellant in de functies niet langer dan 30 minuten geconcentreerd met een van de in de functie noodzakelijke handelingen bezig te zijn. Ook het feit dat zitten in de functies niet langer dan 30 minuten achtereen nodig is, duidt erop dat concentratie van meer dan 30 minuten niet nodig is, wat valt binnen de beperkingen van appellant. Over de functie wikkelaar heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en informatie ingewonnen bij de arbeidskundig analist, over de vraag of het werken in een fabriekshal te bezwarend is, gelet op de beperking dat appellant is aangewezen op werk waarbij hij niet door anderen wordt afgeleid. Omdat het gaat om een rustige werkomgeving en de werknemer met een eigen deeltaak werkt, is de functie volgens de arbeidskundige bezwaar en beroep wel geschikt voor appellant. In reactie op deze visie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de arbeidsdeskundige Stoffijn gesteld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de belasting van de functies negeert, door te stellen dat de duur van een handeling, zoals bij het vasthouden van de aandacht, maar 30 minuten plaats heeft, wegens de duur van zitten. Het betreft echter een cumulatieve belasting op dit aspect en in de betreffende functies gedurende de gehele werkdag. Zonder nadere onderbouwing meent Stoffijn dat de effecten van de werkomgeving van de fabriekshal niet mogen worden genegeerd.

4.6.

Appellant heeft een serieus trauma doorgemaakt na een ongeval op zijn werk, waaraan hij duidelijke beperkingen heeft overgehouden. Uit meerdere neuropsychologische onderzoeken en uit het rapport van de neuroloog Mispelblom Beijer is gebleken dat de snelheid van de informatieverwerking snel vermindert en dat er sprake is van intrinsieke traagheid van het cognitief proces, waardoor er onder meer beperkingen moeten worden aangenomen voor het verkeren in een lawaaiige stimulusrijke omgeving en voor langdurige cognitieve belasting. Dit is vertaald in de FML via beperkingen ten aanzien van het vasthouden van aandacht en het voorkomen van afleiding door activiteiten van anderen. Gelet op deze beperkingen bestaat er twijfel of appellant de functies van wikkelaar en snackbereider kan uitoefenen, omdat hij in die functies vrijwel de gehele dag geconcentreerd handelingen moet verrichten in een fabriekshal. Weliswaar blijkt uit de beschrijving van de functies, zoals door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is vermeld, dat na maximaal een half uur een handeling kan worden onderbroken, maar dat neemt niet weg dat de betreffende werknemer kort daarna weer langere tijd geconcentreerd moet werken. Dat gebeurt bovendien in een fabriekshal waarin veel meer mensen werkzaam zijn, wat snel voor afleiding kan zorgen en gelet op de beperking van appellant op dit punt waarschijnlijk de concentratie zal beïnvloeden. De door appellant om advies gevraagde onafhankelijk arbeidsdeskundige Stoffijn heeft gewezen op die cumulatieve belasting en meent dat de beide functies niet geschikt zijn. Alle omstandigheden van dit geval wegende, en gelet op de specifieke beperkingen van appellant, zoals die ook blijken uit de diverse overgelegde rapporten, en nu partijen hun standpunten uitvoerig hebben toegelicht, wordt geconcludeerd dat de twijfel over de geschiktheid van appellant voor de beide genoemde functies niet is weggenomen en van de zijde van het Uwv niet overtuigend is onderbouwd dat de functies geschikt zijn, zodat het ervoor moet worden gehouden dat appellant die functies met zijn beperkingen niet kan uitoefenen.

4.7.

Dit leidt tot de conclusie dat er nog maximaal twee van de vijf aan appellant voorgehouden functies resteren, die hij met zijn beperkingen zou kunnen uitoefenen. Dit is een te geringe basis om de beëindiging van de ZW-uitkering per 6 oktober 2014 op te kunnen baseren, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat het niet berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Omdat het de intrekking van een uitkering betreft en de periode waarover ziekengeld kan worden verstrekt is verstreken wordt geen aanleiding gezien het Uwv dit gebrek te laten herstellen. Appellant heeft daarom op en na 6 oktober 2014 recht op ziekengeld.

5. Wat in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 4 september 2014 te herroepen.

6. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen ZW-uitkering komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Onder toepassing van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), in samenhang met de artikelen 2 en 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, worden de proceskosten vastgesteld op een bedrag van € 2.970,- wegens verleende rechtsbijstand in bezwaar (2 punten), beroep (2 punten) en hoger beroep (2 punten), op een bedrag van

€ 1.193,98 wegens kosten van het door de arbeidsdeskundige Stoffijn opgemaakte rapport van 8 maart 2016 (8,5 uur à € 116,09 vermeerderd met BTW) en de reiskosten van appellant ter hoogte van € 38,80. Het totale bedrag bedraagt € 4.202,78.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2015;

- herroept het besluit van 4 september 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 5 februari 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente, zoals in overweging 6 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.202,78;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB