Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/3671 MPW-V
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en tijdig griffierecht betaald. In die periode geen voorzieningen getroffen voor een goede postbehandeling. Dat is pas anders sinds appellant op 1 juni 2017 onder bewind is gesteld. De Raad ziet daarom geen grond om zijn uitspraak van 3 december 2015 onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 juli 2017

15/3671 MPW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 april 2015, 14/4072 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 3 december 2015 heeft de Raad het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 27 juni 2017. Appellant was aanwezig. De minister heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 3 december 2015 berust op de overwegingen dat binnen de daartoe gestelde termijn geen gronden van het hoger beroep zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Appellant is bij brief van 19 augustus 2015 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de gronden van het hoger beroep in te dienen. Van die gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Bij aangetekend verzonden - brief van 21 september 2015 is appellant opnieuw in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de gronden van het hoger beroep in te dienen. Die brief is als “niet afgehaald” door PostNL bij de Raad terugontvangen.

In verzet heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van zijn aandoening (PTSS) niet in staat is geweest te zorgen voor een goede postbehandeling. Hij herinnert zich de brief van

19 augustus 2015 niet en een bericht van PostNL met betrekking tot de brief van 21 september 2015 evenmin.

De Raad stelt vast dat appellant in de periode die hier van belang is wel in staat is geweest tijdig hoger beroep in te stellen en tijdig het griffierecht te betalen. Ook had hij in die periode geen voorzieningen getroffen voor een goede postbehandeling, bijvoorbeeld door iemand anders te vragen op gezette tijden naar zijn post te kijken. Dat is pas anders sinds appellant op 1 juni 2017 onder bewind is gesteld. De Raad ziet daarom geen grond om zijn uitspraak van 3 december 2015 onjuist te achten.

Het verzet is ongegrond.

De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Voor de goede orde herinnert de Raad appellant er nog aan dat hij, als hij vindt dat zijn medische situatie is verslechterd ten opzichte van de (pensioen)keuring van 3 april 2013, er goed aan doet een nieuwe keuring aan te vragen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het verzet ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- aan appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2017.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB