Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:2568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
16/4876 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen op geld waardeerbare werkzaamheden verrichten. Bewerken goud en zilver.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4876 PW, 16/6228 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
5 juli 2016, 16/1699 (aangevallen uitspraak 1), en 6 september 2016, 16/3603 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Namens appellant is verschenen mr. Kuijper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 3 november 2006 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 25 maart 2015 heeft de Dienst SZW van de gemeente Den Haag, Afdeling Bijzonder Onderzoek (ABO), een anonieme melding ontvangen dat appellant als reparateur van sieraden werkt. Vervolgens heeft ABO op 16 juli 2015 een zogenoemde Melding ongebruikelijke transacties (MOT) ontvangen. Deze MOT-melding hield in dat appellant op 20 mei 2011 bij zijn aankomst op Schiphol uit Suriname is gecontroleerd door de douane waarbij 23,6 kg zilver ter waarde van € 18.800,- is aangetroffen. Bij een vergelijkbare controle op 19 juli 2011 is een hoeveelheid zilver aangetroffen ter waarde van € 14.813,-.

1.3.

Naar aanleiding van de in 1.2 genoemde meldingen heeft ABO een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben twee medewerkers van ABO op 26 augustus 2015 en 10 september 2015 een gesprek met appellant gevoerd en op 10 september 2015 aansluitend aan het gesprek een huisbezoek afgelegd. De medewerkers hebben appellant op 21 oktober 2015 met de bevindingen van het onderzoek geconfronteerd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 oktober 2015.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2016 (bestreden

besluit 1), de bijstand van appellant over de maanden mei 2011 en juli 2011 te herzien

(lees: in te trekken) en de te veel gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van € 1.843,60 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in deze maanden op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht waarvan hij in strijd met zijn wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college, zodat het recht op bijstand in die maanden niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 11 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college het bedrag van de terugvordering gebruteerd en vastgesteld op € 2.347,-.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De vijf door appellant ingebrachte verklaringen van juweliers uit Suriname dat appellant voor hen goud en zilver naar Nederland bracht om te bewerken en dat daaraan geen kosten waren verbonden, zijn niet voldoende duidelijk en objectief. Uit deze verklaringen volgt niet ondubbelzinnig dat appellant geen vergoeding heeft ontvangen voor het innemen en vervoeren van de hoeveelheden goud en zilver. Het gaat hier om het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten wat voor het recht op bijstand van belang is, ongeacht de intentie waarmee deze worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Door van deze werkzaamheden geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Deze schending levert een rechtsgrond op voor intrekking van het recht op bijstand. Het is vervolgens aan appellant om aannemelijk te maken dat hij over de desbetreffende periode recht op bijstand zou hebben gehad. Het betoog van appellant dat hij gezien het tijdsverloop niet meer in staat is hiervoor gegevens over te leggen, slaagt niet. Het ontbreken van een administratie of een boekhouding komt voor rekening en risico van appellant. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld. Nu niet is gebleken van een dringende reden, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om van terugvordering van de te veel betaalde bijstand af te zien.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de terugvordering, omdat hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft dan ook in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het terugvorderingsbedrag te bruteren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Evenals in beroep betwist appellant dat hij in mei 2011 en juli 2011 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Daarnaast stelt appellant dat van hem, gezien het tijdsverloop, niet kan worden verlangd om nog bewijsstukken over te leggen. Appellant verwijst opnieuw naar de vijftal verklaringen die hij in beroep heeft overgelegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij geen informatie over zijn activiteiten kan overleggen. Hij had niet de intentie om het college te benadelen. Hierin is een tevens dringende reden gelegen om van terugvordering af te zien. Voorts bestaat geen grond om tot brutering van de terugvordering over te gaan, omdat de onderliggende vordering onjuist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat appellant in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 en 2.2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. De inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Het betoog van appellant dat hem niet kan worden verweten dat hij geen informatie over zijn activiteiten kan overleggen en dat hij niet de intentie heeft gehad om het college te benadelen, slaagt dan ook niet. Evenmin is in dit betoog een dringende reden gelegen die voor het college aanleiding had moeten zijn om van terugvordering af te zien.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) P.C. de Wit

HD